Rechters en politici kennen geen zekerheid

De Jong is chef-inkoop bij een groot bedrijf. Het vermoeden is gerezen dat hij steekpenningen heeft aangenomen. In een aanhangige procedure wordt hij als getuige onder ede gehoord. Hij erkent smeergeld te hebben ontvangen, maar voegt daaraan toe, dat hij dat heeft gedaan met voorkennis en toestemming van zijn directeur Van Dijk. Ook deze wordt als getuige gehoord. Van Dijk bevestigt dat hij kort na zijn aanstelling als directeur een gesprek met De Jong heeft gehad, maar hij ontkent ten enen male dat De Jong hem toen iets over smeergeld heeft meegedeeld.

Verdere getuigen of andere bewijzen zijn er niet. Niemand is bij het gesprek tussen De Jong en Van Dijk aanwezig geweest en er is van het gesprek ook geen schriftelijk verslag gemaakt. Het is het woord van De Jong tegenover dat van Van Dijk. Wie heeft gelijk, of misschien beter, wie moet gelijk krijgen? Het gaat in het recht nu eenmaal niet over gelijk hebben, maar over gelijk krijgen. De Raad van Commissarissen staat voorshands achter directeur Van Dijk en stelt in een persbericht, geen reden te hebben te twijfelen aan de verklaring van de directeur. In het bedrijf is de kwestie hoog opgelopen en er heerst onrust. De ondernemingsraad zal er een speciale vergadering aan wijden, waarbij de vraag aan de orde komt of men het vertrouwen in De Jong of Van Dijk of in beiden moet opzeggen, dan wel of zij in functie kunnen blijven. Wat moet men met zo'n zaak en welke afwegingen moet men maken. Laat mij een analyse-poging wagen zonder naar volledigheid te streven. De mogelijkheden zijn de volgende.

Het kan zijn, dat De Jong liegt. Hij heeft het smeergeld ontvangen zonder overleg met of toestem-ming van zijn directeur. Als dat komt vast te staan wordt De Jong zeker ontslagen. Hij heeft er dus alle belang bij zijn directeur door middel van een valse verklaring te compromitteren. Als de rechter hem gelooft heeft hij waarschijnlijk zijn baan gered en vliegt de directeur eruit.

Een tweede mogelijkheid is, dat directeur Van Dijk liegt en dat hij wel degelijk van het smeergeld afwist en daarvoor ook toestemming heeft gegeven. Van Dijk heeft net als De Jong belang bij zijn meineed. Als zijn leugen aan het licht komt verliest hij zeker zijn baan, hetgeen des te pijnlijker is, omdat hij sinds kort in het bestuur van de holding zit.

Een derde mogelijkheid is deze: laten we aannemen dat De Jong de waarheid heeft gesproken, dan hoeft dat niet per se te betekenen, dat Van Dijk heeft gelogen. Van Dijk was nog maar enkele dagen als directeur in functie en er kwamen onnoemelijk veel problemen van de meest uiteenlopende aard op hem af. Het kan dan ook best zo zijn, dat De Jong hem in dat informele gesprek over het smeergeld heeft inge-licht, maar dat de kwestie uit zijn geheugen is weggezakt, zodat hij te goeder trouw als getuige kon verklaren, dat De Jong hem niet over smeergeld had gesproken. Van Dijk zou zich voor het geval de verklaring van De Jong zou worden geloofd op zijn tekort schietend geheugen kunnen beroepen. In dat geval kan De Jong zonder meer in functie blijven, omdat er geen goede grond is om hem niet te geloven. Maar ook Van Dijk redt zijn huid. Er kan immers niet bewezen worden geacht, dat hij gelogen heeft en dus is er onvoldoende reden hem te ontslaan. Het lijkt niet goed denkbaar, dat ook De Jong zich subsidiair op een falend geheugen zou kunnen beroepen. Hij had de plicht om zijn directeur over dat smeergeld in te lichten en hij weet donders goed of hij dat heeft gedaan of niet. De Jong heeft de waarheid gesproken of keihard gelogen. Zo eenvoudig is het.

Een laatste - theoretische - mogelijkheid is, dat De Jong en Van Dijk, zich ervan bewust dat beiden boter op het hoofd hebben, de afspraak hebben gemaakt, tegenstrijdige verklaringen te zullen afleggen. Voor die gedachte zou kunnen pleiten, dat directeur Van Dijk kennelijk opzettelijk zich niet voor alle zekerheid en subsidiair op zijn tekort schietend geheugen beroept, doch met stelligheid verklaart, dat De Jong hem niet over smeergeld heeft gesproken. Hoe stelliger en harder de wederzijdse onverenigbare standpunten, des te moeilijker voor de rechter om één van beiden te geloven en dus de ander te laten vallen, en des te groter de kans, dat beiden in functie zullen kunnen blijven.

Waar brengt ons nu deze analyse? 'Zeker is, dat niets zeker is' is de zinspreuk van Toneelgroep Amsterdam. En dit motto past ook op dat andere toneel, het toneel van de rechtspraak. Zekerheid bestaat niet. Zekerheid is een zeer bedrieglijk wapen van het toeval. Het toeval zorgt vaak, dat men ten onrechte niet aarzelt. De zekere kan het geluk hebben, dat de loop der gebeurtenissen hem in het gelijk stelt. Dan is hij de grote overwinnaar. Maar als het anders uitpakt zijn de rampen niet te overzien. Als ik iemand ontmoet die heel zeker is van zijn zaak bekruipt mij de twijfel. Dit soort zekerheid kan foute vonnissen veroorzaken. Zij die aarzelen, twijfelen, en het risico beseffen van een te snelle zekerheid zijn mij liever en schenken mij meer vertrouwen, dan de mensen die een onfeilbare zekerheid uitstralen. Ik denk dat dat komt omdat zij die met behoedzaamheid tot hun oordeel komen zoekers zijn op de weg naar de absolute zekerheid in de wetenschap, dat die onbereikbaar zal moeten blijven. Dat maakt oordelen zo'n boeiende bezigheid. Niet alleen voor rechters, maar ook bij voorbeeld voor politici, als zij moeten beraadslagen en oordelen over het rapport van de commissie-Van Traa.

Zekerheid zullen zij niet kunnen krijgen. Ook het recht kent dat begrip zekerheid niet. Zelfs de strengste bewijsregels, zoals die gelden in het strafrecht reppen niet van zekerheid. Die regels eisen niet méér dan dat de rechter door wettige bewijsmiddelen overtuigd is geraakt. Politici hebben ruimere beoordelingsmarges. Zij kunnen vrijelijk hun overtuiging vormen en hun conclusies trekken, en zij kunnen hun vertrouwen schenken of onthouden aan wie zij willen. Juist deze ruime marges behoren tot grote terughoudendheid aan te zetten. Die terughoudendheid lijkt mij in de komende debatten een dwingende noodzaak.