Privacy-wetgeving

Dr. B.H.Ch. Stricker vindt dat de privacy-wetgeving niet te strikt moet worden toegepast, omdat dit het geneesmiddelenonderzoek in de weg zou staan (8 maart). Het is een zwakke stelling, omdat de wetgeving weinig aanleiding geeft om onderzoek in de weg te staan. Terecht wordt er opgemerkt dat de WGBO (art. 458) uitzonderingsbepalingen kent die wetenschappelijk onderzoek mogelijk maakt, maar deze vereist geen schriftelijke toestemming van de betrokkenen, zoals Stricker stelt.

De problemen die hij vervolgens noemt zijn er voor een deel niet. Vervolgens komen er drie voorbeelden. Het eerste voorbeeld laat zien dat het niet zomaar mogelijk is om patiëntgegevens te krijgen. Volgens mij een goede zaak. Voorbeeld twee en drie laten zien dat er bij een zorgvuldige procedure met bescherming voor de privacy van de patiënt het goed mogelijk is om onderzoek te doen.

In het slot van het artikel schetst Stricker een dilemma. Hoe beschermt men de privacy van de patiënt en kan men toch gegevens verkrijgen voor geneesmiddelenonderzoek. De oplossing staat mijns inziens al in de WGBO (art. 458). Hierin (lid 2) vindt men ook de oplossing van Stricker.

Men kan concluderen dat zelfs bij een strikte toepassing van de wetgeving er genoeg ruimte is om gegevens voor onderzoek te genereren zonder de privacy van de patiënt aan te tasten.