Op de coffee

NEDERLAND GEDOOGT. Dus moesten leden van de Tweede Kamer zich gisteren eerst een weg banen langs blowende demonstranten om de vergaderzaal te bereiken waar over de veelbesproken drugsnota werd gedebatteerd. Daarvoor hadden zij al een confrontatie ondergaan met bewoners van stadswijken die protesteerden tegen de overlast die de drugshandel in hun buurt veroorzaakt. De praktijk was kortom volop aanwezig in Den Haag. Die praktijk toonde overigens haarfijn aan dat dé oplossing niet bestaat.

De drugsnota vloeit voort uit de afspraken die in de zomer van 1994 in het regeerakkoord zijn gemaakt. Daarin werd geconstateerd dat de relatief succesvolle Nederlandse benadering van het drugsbeleid zou worden voortgezet. Op basis van een inventarisatie van nationale en internationale ervaringen zouden nuances worden aangebracht en nieuwe wegen beproefd. Geen wonder dat de vorig jaar uitgebrachte drugsnota de titel 'Continuïteit en verandering' meekreeg. Maar van die verandering is, voor zover dat gelezen moet worden als een verdergaande liberalisering van het Nederlandse drugsbeleid, weinig meer te bespeuren. Ook hier heeft, zoals bij zoveel facetten van het drugsbeleid, de paradox toegeslagen. De nota, die voortkwam uit een streven naar vernieuwing werd gaandeweg steeds meer een nota om het kritische buitenland te apaiseren. Maar het netto resultaat is juist het tegenovergestelde. Het buitenland greep op een enkele uitzondering na de drugsnota aan om Nederland in de hoek te zetten. Frau Antje in de Figaro met een stickie in haar hand was illustratief voor de stemming in de omliggende landen. NU KAN DAAR heel verontwaardigd over worden gedaan en dat gebeurde gisteren dan ook volop in de Tweede Kamer. Daarmee wordt het bestaande beeld van Nederland in het buitenland echter niet weggenomen. Ondanks alle cijferopstellingen waaruit keer op keer blijkt dat de resultaten van de Nederlandse drugspolitiek gunstig afsteken tegenover die in andere landen, is het een feit dat het buitenland het beleid niet kan en soms ook niet wil begrijpen.

Maar ook in het binnenland valt steeds meer uit te leggen. Het gedoogbeleid zoals dat halverwege de jaren zeventig in Den Haag werd ontwikkeld, is de afgelopen jaren op het lokale vlak steeds verder geamendeerd. Het waren veranderingen die veelal leidden tot strengere regelgeving. Want wat er ook beweerd wordt over de effecten van het Nederlandse beleid, de overlast voor bewoners is alleen maar toegenomen. Het causaal verband is niet aangetoond, maar het gelijk van de landelijke cijfers kan het onbehaaglijke gevoel van degenen die dagelijks met de overlast worden geconfronteerd niet wegnemen.

Tegen die achtergrond viel de eerste ronde van de discussie over de drugsnota gisteren in de Tweede Kamer tegen. Het debat over het te voeren drugsbeleid is in hoge mate een debat tussen gelovigen geworden. Dat maakt een zinvol gesprek zo moeilijk. Nog altijd staat de stroming die beweert dat softdrugs niet drempelverlagend werken voor het gebruik van harddrugs lijnrecht tegenover de stroming die meent dat er wel een direct verband bestaat. Beide partijen menen met cijfers het gelijk aan hun kant te hebben. Nog altijd ook is de vraag waarom softdrugs niet en waarom drank en sigaretten wel. ZO VOLTREKT HET nationale drugsdebat zich langs sjablonen die weinig meer te maken hebben met de werkelijkheid. Die is bijvoorbeeld dat het hasj-gebruik in hoge mate is 'gedemocratiseerd' en zodoende allang niet meer beperkt blijft tot de 'flower-powertypes' van twintig jaar geleden. Volgens schatting lopen er in Nederland tegenwoordig zo'n 700.000 gebruikers van softdrugs rond. Wie dan, zoals het CDA, roept dat het aantal coffeeshops op termijn tot nul moet worden teruggebracht, geeft zich over aan illusie-politiek. Aan de andere kant ontbreekt bij de pleitbezorgers van volledige legalisering te vaak de notie van de onbedoelde neveneffecten zoals de aanzuigende werking uit het buitenland. Ook is de nationale 'softdrugs-industrie' niet meer te vergelijken met de bloembakken van twintig jaar geleden.

Het Nederlandse drugsbeleid kenmerkt zich door schipperen, met als gevolg een flinke dosis onvermijdelijke hypocrisie. De voorstellen die in de drugsnota worden gedaan maken daaraan geen eind. Los van concrete plannen om overlast tegen te gaan, en experimenten met het verstrekken van heroïne aan zeer beperkte groepen verslaafden, beperkt het beleid ten aanzien van de softdrugs zich vooral tot vormkwesties.

Meer is op dat laatste terrein ook niet mogelijk. Wie meer naar de ene of de andere kant wil, loopt altijd weer tegen muren op. Politiek is de kunst van het haalbare. Dat geldt in het bijzonder voor het drugsbeleid. In de Tweede Kamer werden gisteren nogal eens ideaalbeelden geschetst. Aan het kabinet de taak een praktisch beleid te voeren. Veel zal dan niet zijn geregeld. Soms valt ook niet alles in wetten te regelen.