Kritiek op schooltoetsen is volkomen onterecht

Dat een krant en de lezers ervan op de loop gaan met de conclusies van een onderzoeksrapport is het goede communicatieve recht van zowel berichtgever als ontvanger.

In elk geval nog geen reden voor de onderzoeker om verontrust te worden. Wanneer echter in die communicatie het ene misverstand op het andere gestapeld wordt, is het raadzaam terug te keren naar de conclusies van het rapport, terug naar de basis, in dit geval: de basisvorming.

Wat is er aan de hand? Het Cito publiceert een rapport over de eerste resultaten van de toetsen basisvorming en constateert onder meer dat er nogal wat overlap bestaat in de door MAVO- en VWO-leerlingen behaalde scores. Dit gegeven leidt tot voorpaginanieuws (NRC HANDELSBLAD, 19 februari) gevolgd door enkele ingezonden brieven van verontruste lezers en enkele interviews waarin conclusies getrokken worden die met het onderzoek geen direct verband hebben. Alles bij elkaar voldoende aanleiding om nog eens aandacht te vragen voor de volgende punten.

Eerst over het doel van de toetsing en de eerste rapportage. In april 1993 werd in de Tweede Kamer besloten om de basisvorming af te sluiten met voor elk vak voor alle opleidingstypen identieke toetsen, ook wel genoemd: 'één toets voor de volle breedte'. Na twee jaar basisvorming verzoekt de Staatsecretaris het Cito zo spoedig mogelijk te rapporteren. Het Cito concludeert dat één toets over de volle breedte voor het voorbereidend beroepsonderwijs problemen oplevert. Als nevenconclusie van hetzelfde onderzoek geldt dat er bij middeling van de resultaten over alle vakken een overlap van 25 procent gevonden wordt tussen de beste MAVO-kandidaten en de gemiddelde VWO-kandidaaat. Dat is een - overigens ook in andere onderzoeken - geconstateerd feit en geen 'volksverlakkerij', zoals onderzoeker Van der Bergh meent te moeten opmerken in deze krant van 26 februari. De omvang van 25 procent kan onder meer worden verklaard door het totaal-gemiddelde over alle zeventien. Per vak zijn er grote verschillen: de overlap bij wiskunde is veel kleiner dan bij een vak als verzorging.

Dan de relatie tussen eindtoets basisonderwijs en dit onderzoek. De conclusies van het onderzoek hebben - in tegenstelling tot wat in het eerste artikel in deze krant en de daaropvolgende ingezonden brieven gesuggereerd werd - niets met elkaar te maken. De resultaten verwijzen in geen enkel opzicht naar verkeerde keuzes bij de entree van leerlingen in het voortgezet onderwijs. De vraag naar de juistheid van schoolkeuze vereist een totaal ander onderzoek.Wat de vergelijkbaarheid van de resultaten betreft: in een aantal artikelen en ingezonden brieven klonk de suggestie door dat de resultaten op de toetsing niet vergelijkbaar zouden zijn wegens de zeer uiteenlopende afnamecondities op de scholen. In het onderzoeksrapport is aangegeven dat alleen de resultaten van die scholen in het onderzoek zijn meegenomen die opgegeven hebben dat ze niet van de voorgeschreven afnamecondities zijn afgeweken.

De vrees dat het peil van het onderwijs in de basisvorming bedenkelijke vormen heeft aangenomen is eveneens volledig ongegrond. Het ging hier niet om een onderzoek naar het peil, het niveau van het onderwijs in de basisvorming, maar om een eerste rapportage over de vraag in hoeverre met één toets per vak gemeten kan worden in hoeverre leerlingen de kerndoelen van de basisvorming beheersen. Het ging ook niet om het maken van een onderscheid tussen zeer goede, middelmatige, slechte en zeer slechte leerlingen. Ten slotte de Bredase gymnasium-docent die zijn eigen leerlingen te goed vindt voor de basisvorming en de daarbij behorende toetsen. Hij wilde aantonen dat een door hem gesimuleerd briefje vol met fatsoens- en spellingovertredingen maar dat verder aan praktisch alle formele eisen voldoet toch een hoge score haalt. In de kerndoelen van de basisvorming staat voor het onderdeel schrijfvaardigheid Nederlands aangegeven dat er van leerlingen verwacht wordt in een brief 'de geadresseerde over te halen tot handelen'. Een aanhef als “Stomme trud” roept onzes inziens wel een handeling op maar niet de gevraagde. Hij deed ons denken aan een rij-instructeur die ziet dat een leerling het bord '50' even mist maar zich verder strikt houdt aan de overige verkeersborden terwijl hij door het centrum scheurt met een snelheid van 80 kilometer per uur. Zover komt het in de praktijk natuurlijk nooit: de instructeur zal ongetwijfeld snel op de rem trappen. Een 'ingreep' heet zoiets. Ook in het taalverkeer zijn ingrepen toegestaan.