Europa is geen culturele dumpplaats

Het Europees parlement besloot vorige maand tot maatregelen om de Europese cultuur te beschermen. Cas Smithuijsen van de Boekmanstichting noemde de steun van Nederlandse Europarlementariërs onlangs niet zo verstandig: een klein land is gebaat bij een open cultuurmarkt. Maar volgens Hedy d'Ancona en Alman Metten heeft hij het verkeerd begrepen. Bescherming van het erfgoed moet zich niet beperken tot bedreigde diersoorten.

Een van de feilen van het Europa van de interne markt was dat cultuur alleen werd beschouwd als een economische grootheid, waarvan slechts het vrije verkeer verzekerd moest worden. Vandaar dat onder het Nederlandse voorzitterschap een specifiek cultureel hoofdstuk aan het Verdrag van Maastricht werd toegevoegd, waardoor culturele belangen een eigen rechtsbasis in het Verdrag kregen. Om de gewenste culturele diversiteit en pluriformiteit te behouden, bleef het iedere lidstaat toegestaan om zèlf vorm te geven aan de nationale doelstellingen op het terrein van kunst en cultuur en dus - om een voorbeeld te geven - de eigen film te subsidiëren of het eigen jeugdtoneel.

Daarnaast werd gezamenlijke actie op het culturele terrein gestimuleerd waar dat een meerwaarde had: bescherming van het Europees cultureel erfgoed, samenwerking en uitwisseling in zaken als het lage BTW-tarief voor culturele activiteiten of de vaste boekenprijs. Tenslotte zouden bij het formuleren van beleid op andere terreinen, de consequenties voor de cultuur in aanmerking moeten worden genomen.

In Nederland verwelkomden de Tweede Kamer en vele culturele instellingen dit culturele hoofdstuk. Enkele jaren daarvoor hadden we moeten ervaren, dat Europese mededingingsregels de mogelijkheid voor de Nederlandse regering om effectief voorwaarden aan commerciële omroep te stellen danig uitholden. De richtlijn 'televisie zonder grenzen', die in 1989 werd aangenomen, trachtte enigszins in deze lacune te voorzien.

Het was reeds in deze richtlijn, dat de regel werd opgenomen om Europese producties een eerlijker kans te geven tegenover de spotgoedkope Amerikaanse producties, door 51 procent van de markt voor Europese producties te reserveren. Het Europese Parlement èn de Raad van Ministers steunden dit voorstel, zij het dat de Raad deze regel feitelijk ineffectief maakte door 'zo mogelijk' toe te voegen. Wat de meerderheid van het Europese Parlement nu heeft gedaan, is niet meer dan dit lek in de quotaregeling dichten. Die ontwikkelingen zijn aan Cas Smithuijsen, gezien zijn pleidooi tegen 'cultureel protectionisme' en quota's (NRC HANDELSBLAD, 23 februari) kennelijk geheel voorbijgegaan. Voor hem is cultuur dan ook een gewoon product, vergelijkbaar met auto's en helikopters. Dat is niet alleen een opmerkelijk, maar ook een schokkend en naïef standpunt van een directeur van een culturele stichting. Terwijl de interne markt juist gericht is op het afschaffen van belemmeringen ten behoeve van schaalvergroting en goedkopere, want min of meer uniforme producten, is onze doelstelling op cultureel terrein juist behoud van de verscheidenheid in Europa.

Vrij baan geven aan de werking van de markt ook op dit terrein leidt ertoe dat Amerikaanse producties, waarvan de kosten dankzij de eenheid van taal en cultuur op de grote Amerikaanse markt al zijn terugverdiend, gedumpt worden op de Europese markt. Europese producties kunnen daar qua prijs nooit tegenop, omdat de eigen Europese markt een veel grotere verscheidenheid van taal en cultuur kent.

Anders dan bij niet-culturele goederen en diensten, kan het natuurlijk nooit de bedoeling zijn deze verschillen uit te wissen om er gestandaardiseerde Europese producten van te maken. Europa's culturele verscheidenheid is juist één van zijn rijkdommen. Anders dan bij niet-culturele goederen en diensten, kan enige bescherming van de eigen cultuur wel degelijk gerechtvaardigd zijn.

Wij beweren daarbij niet dat het versterken van de quotaregeling uit 1989 (wij hebben immers niet meer gedaan dan het schrappen van de laffe beperking 'zo mogelijk') voldoende zal zijn om Europese producties te laten overleven. Maar wie naar de ontwikkeling van de laatste jaren en het huidige extreem hoge aandeel van Amerikaanse producties in heel Europa kijkt, kan niet anders dan concluderen dat een effectieve quotaregeling noodzakelijk is.

De voorbeelden spreken voor zich: uit onderzoek blijkt dat in 1994 van de door 88 tv-stations in de Unie aangekochte fictie-programma's bijna 70 procent van Amerikaanse makelij was. Slechts in 18 procent van de gevallen ging het om Europese producties. In dat jaar schommelde het marktaandeel van Amerikaanse bioscoopfilms in de landen van de huidige EU rond 80 procent.

Als we deze cijfers vergelijken met die uit de voorgaande jaren zien we overal, ook in Nederland, een sterke daling van Europese producties ten gunste van Amerikaanse. Niet alleen via de commerciële, maar ook via de publieke zenders. Waarom de Nederlandse staatssecretaris van Cultuur zich in de Raad samen met zijn Britse collega heeft verzet tegen een quotaregeling is dan ook een raadsel.

De meerderheid van het parlement (en daar hoorden de Nederlandse christen-democraten en liberalen dus niet bij) ziet dat dus anders. Steun was er van een reeks van belangrijke Europese filmers, maar - zoals te verwachten - oppositie van de commerciële tv-stations.

De quotaregeling heeft niets te maken met het afsluiten van de grenzen voor culturele uitwisseling. Het gaat erom enige bescherming te bieden aan een belangrijke cultuuruiting, de Europese film, die niet opgeofferd mag worden aan het marktmechanisme.

Vanzelfsprekend is alleen een quotaregeling niet voldoende om de Europese film te ondersteunen. Daarom heeft de Commissie met steun van het Parlement, naast de bestaande stimuleringsprogramma's voor Europese co-producties een nieuw garantiefonds voor de film in het leven geroepen. Ook de Nederlandse film profiteert in de co-producties van deze mogelijkheden.

Ten slotte nog dit: wij beweren zeker niet dat Amerikaanse producties per definitie pulp zijn, noch dat producties goed zijn omdàt ze uit Europa komen. De vraag is echter of we bescherming alleen moeten toepassen op zeldzame diersoorten die met uitsterven bedreigd worden, of dat wij dit ook mogen doen ter bescherming van ons eigen culturele erfgoed.

Voor ons, als Europarlementariërs èn als Nederlanders, is dat culturele erfgoed een deel van onze identiteit, die we nog feller zullen verdedigen dan Europese auto's en vliegtuigen.