De blijde thuiskomst

Let maar 's op: weerzien gaat doorgaans met lachen gepaard en vertrekken meestal met nervositeit, spanning, met een beetje sterven, zoals het Franse spreekwoord zegt.

Kinderen hebben dat niet. Die kunnen je zelfs na lange afwezigheid volmaakt onverschillig begroeten en soms begróéten ze je zelfs niet eens. Dat komt, denk ik, doordat kinderen geen inzicht hebben in het gevaar dat een mens loopt zodra hij van huis is.

Ik zit in de underground, keurig als een Engelsman, in rijen tegenover elkaar, de handen op de knieën. We razen voort en spreken niet, zo hoort het - in Londen. Een gestroomlijnde wereld. Het gemak waarmee je op perrons de trein inloopt en uitloopt, de roltrappen neemt. Maar soms, in een moment van bezinning, als ik weer 's in een hoek van 45 graden de eindeloos diepe schacht in daal, denk ik aan die brand bij Charing Cross Station, een aantal jaren geleden, waar tientallen wachtende passagiers eenvoudig het vuur ingezogen werden.

'Het gat trok als een schoorsteen.'

Ik loop terug naar mijn hotel. Achttien verdiepingen, ik slaap op de derde. De gedachte dat ik mij erop moet voorbereiden vannacht uit het raam te springen, wordt met verraderlijk gemak verdrongen. Het hotel staat er al twintig jaar, maar ik zal het lot niet tarten door almaar in hotels te gaan logeren.

December 1987 sliep ik drie nachten in het hotel Central op de Kurfürstendamm. Precies een jaar later gaat dat prachtige hotel, dat twee wereldoorlogen heeft doorstaan, in de fik, aangestoken door een dronken Joegoslaaf. Veertien doden.

Maar wat zijn die aantallen vergeleken met wat er jaarlijks op de weg het leven laat? In het keurige, gereguleerde Nederland komen elke dag in het verkeer alleen al vijf mensen om het leven en raken er honderd gewond. En elke dag ben ik er weer niet bij, omdat ik toevallig ergens anders was. Noodlot slaat toe waar ruimte met tijd in de knel komt.

Ik rijd in het donker naar huis en de fietser, rechts, heeft geluk dat ik hem niet van de sokken rijd. Welke fietser, ik heb geen fietser gezien. Ik rijd over de Westersingel, langs wat vroeger een banketbakkerij was en ik denk er elke keer aan: hoe daar een man wegrijdt, in zijn auto, uitgewuifd door zijn vrolijke vrienden en hij kijkt nog een keer achterom en neemt daarbij een ongezien schoolmeisje mee, dat, gevallen, hakend aan de onderzijde van de auto, de volle rit zal worden meegesleurd. Hij komt thuis en kan zijn vrouw handenwrijvend vertellen wat een gezellige middag hij heeft gehad. Niets gezien, niets gehoord, zal hij later voor de rechtbank verklaren.

Wie zijn huis verlaten heeft, verkeert in vijandelijk gebied en moet alles zien, en alles horen. Zo hoorde ik op een zeker ogenblik, over een brug rijdend, langs een muur, dat mijn rechtervoorwiel loszat. Zoiets zie je niet, merk je niet, maar je hoort het. En dan ook alleen nog maar als je langs een muur rijdt. Je moet geluk hebben. En daarom lachen de mensen elke keer als ze weer heelhuids thuiskomen. 'Angst' schreef Wolfgang Borchert in 1947, 'Angst dass man unter den Zug kommt, Freude dass man nicht unter den Zug gekommen ist.' Borchert is misschien al vergeten, maar deze eenvoudige regel klinkt bijna dagelijks in mij na. Hoeveel ongelukken had ik al niet gehad moeten hebben! Hoe vaak ben ik, in den vreemde, niet iemand tegengekomen die mij wél zag en zal hebben overwogen mij de hersens in te slaan, maar tot mijn geluk daarvan heeft afgezien. Maar daar kan ik niet om thuisblijven. Een bom in Londen zal mij er niet van weerhouden een weekje naar Londen te gaan. Een bom in Tel Aviv brengt mij evenmin van eventuele voornemens af. Want deze bommen zijn anoniem en voor mij niet gevaarlijker dan andere dagelijkse gevaren.

Meestal heb je gewoon geluk. Ik ken mensen, vrouwen zelfs, die in de gevaarlijkste steden ter wereld 's nachts gedwongen waren aan de weg te staan voor een lift. En werden meegenomen, en keurig afgezet.

Vaak zijn er geen gevaren. De meeste ongelukken gebeuren thuis.