Capriolen

De laatste computeruitdraaien van het Centraal Planbureau hebben veel Haagse beleidsmakers in een grafstemming gebracht. Zoals steeds leidt de haperende economische ontwikkeling tot forse tegenvallers bij de openbare financiën. Amper een half jaar geleden voorzag het Planbureau dat het nationaal inkomen in de eerste helft van de lopende kabinetsperiode reëel met 5,5 procent zou toenemen. Inmiddels is duidelijk geworden dat die groeiverwachting te optimistisch was. Naar huidige inzichten stijgt het reële inkomen in 1995 en 1996 samen op zijn best met 4,5 procent. Dat ene procent groeiverschil betekent dat de verdiende inkomens en de nationale bestedingen zeven miljard gulden lager uitvallen. Inkomstenbelasting, de btw en de sociale premies brengen dus aanzienlijk minder op. Hierdoor raakt de schatkist op een heel ongelukkig moment in grote problemen. De gunstige groeiverwachtingen hebben het kabinet er namelijk in een eerder stadium toe gebracht vrijwel de gehele in het regeerakkoord verankerde lastenverlichting van acht miljard gulden al in 1995 en 1996 te realiseren. Nu de conjunctuur wat tegenzit, ontbreekt de budgettaire armslag om met behulp van een gerichte belastingverlaging de koopkracht van gezinnen te ondersteunen en de consumentenbestedingen aan te zwengelen. Doordat lastenverlichting bij het kabinet topprioriteit had, is de afgelopen twee jaar anderzijds nauwelijks iets gedaan aan vermindering van de overheidsschuld. Die schuld bedraagt op dit moment meer dan 500 miljard gulden, wat overeen komt met 79 procent van de waarde van het bruto binnenlands produkt (bbp). Verblind door de zucht naar lastenverlichting heeft het kabinet bovendien de sociale premies te laag vastgesteld, waardoor zeven miljard is ingeteerd op het buffervermogen van de sociale fondsen. Dit tekort moet de komende jaren worden aangezuiverd door de premies alsnog te verhogen.

Twee economen die werken bij De Nederlandsche Bank hebben anderhalve week geleden in het vaktijdschrift ESB aangetoond welke capriolen in de jaren negentig bij het financieel-economische beleid zijn uitgehaald. Het derde kabinet-Lubbers (1989-1994) stelde vermindering van het begrotingstekort voorop. Zo werd bereikt dat de schuldquote van de overheid niet verder opliep. Het tekort kon vooral omlaag, doordat het vorige kabinet niet heeft geschroomd het belasting- en premiepeil fors op te schroeven. Het kabinet-Kok gooide het roer drastisch om. Met ingang van 1994 ligt alle nadruk op lastenverlichting. Reductie van het tekort en de schuldaanwas kreeg veel minder prioriteit. Het voorspelbare gevolg: nu de economische groei wat tegenzit, loopt de schuld van de Nederlandse overheid de komende jaren op tot boven de 80 procent van het bbp. De schuldquote zou echter duidelijk moeten dalen, wil Nederland zich kwalificeren voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie (EMU) in wording. Tegen deze achtergrond wordt het begrijpelijk dat premier Kok afgelopen vrijdag speculeerde over eventueel uitstel van de datum waarop wordt beoordeeld welke lidstaten van de Europese Unie tot de EMU kunnen toetreden. Overigens, ook Duitsland en Frankrijk zullen in 1997 (het peiljaar) waarschijnlijk niet aan de toelatingscriteria voldoen.

Inmiddels stijgen de collectieve uitgaven sneller dan in het regeerakkoord is vastgelegd. Vooral in de zorgsector en door de koppeling van de uitkeringen aan de cao-lonen ontstaan tegenvallers. Om te voorkomen dat tekort en schuld van de overheid oplopen, zijn omvangrijke ombuigingen nodig, of de belastingen moeten omhoog. Daar komen dan nog voor zeven miljard premieverhogingen bij om de gaten in de sociale fondsen te stoppen. Lastenverzwaringen in deze orde van grootte drukken de meeste huishoudens diep onder de nullijn, en dat aan de vooravond van het verkiezingsjaar 1998. Vooral de lage inkomens gaan achteruit, omdat premies voor volksverzekeringen zoals de AOW en de AWBZ, en premies voor de verplichte ziekenfondsverzekering alleen verschuldigd zijn over ten hoogste de eerste f 50.000 van het inkomen.

De budgettaire problemen worden verscherpt door mysterieuze tegenvallers bij de belastingen. Hun opbrengst groeit al sinds 1990 in verhouding minder snel dan het nationaal inkomen. Ten eerste neemt het gewicht van de kostprijsverhogende belastingen toe. De opbrengst van btw, accijnzen en milieuheffingen blijft traditioneel achter bij de groei van het nationaal inkomen. Ten tweede is de grondslag van de belastingen op inkomen en winst uitgehold door het massale gebruik van fiscale spaarfaciliteiten (pensioenpremie, lijfrentepremie, spaarloon) en het groeiende eigen-woningbezit (aftrek hypotheekrente).

Voor het kabinet breken moeilijke maanden aan. Het moet overeenstemming zien te bereiken over zeker enkele miljarden aan extra bezuinigingen, terwijl de koopkracht van veel huishoudens daalt. Teneinde de bestedingsruimte van gezinnen te ondersteunen kan het tarief van de eerste schijf van het inkomstenbelastingtarief omlaag. Om te voorkomen dat als gevolg van de gederfde belasting het tekort verder oploopt, moet de ruimte voor tariefverlaging worden gevonden door bestrijding van de Vermeend-itis. Wie aan deze besmettelijke ziekte lijden - zelfs de doorgaans nuchtere hoogleraar Leo Stevens is aangestoken, getuige zijn pleidooi om de kosten van de werkster voor de belasting aftrekbaar te maken - wil sociale en culturele doelen bevorderen met behulp van tegemoetkomingen in de belastingwet. Het kabinet moet precies de andere weg inslaan. Door te wieden in bestaande vrijstellingen en aftrekposten valt de 2,5 miljard gulden vrij te maken die nodig is om het basistarief met een punt te verlagen. Omdat de in te snoeren faciliteiten vooral door de midden- en hoge inkomensgroepen worden gebruikt, neutraliseert deze nivellerende fiscale operatie het denivellerend effect van hogere sociale premies. Dat zijn nog eens budgettaire capriolen ...