Bosnië: bijna alle vragen blijven open

SARAJEVO/MOSTAR, 19 MAART. Het is vandaag officieel drie maanden vrede in Bosnië-Herzegovina. De stukgeschoten lichtreclames in Sarajevo worden gerepareerd en in het straatbeeld verschijnen de eerste heren met aktetassen tussen de mannen-in-het-groen. Zelfs in het stukgeschoten Mostar ruikt het naar specie en de laatste van vijf Servische wijken van Sarajevo, Grbavica, is sinds vanochtend aan de moslim-Kroatische federatie overgedragen.

Op de internationale wederopbouwconferentie, dit weekeinde in Sarajevo, vlogen begrotingsposten van miljoenen dollars over tafel. Maar vijfhonderd meter verder ging op hetzelfde ogenblik voor miljoenen dollars in rook op: vertrekkende Serviërs verbrandden in de laatste voorstad die zij volgens het Dayton-akkoord aan de Bosnische regering moesten overdragen hun huizen.

“Toen ik naar Bosnië kwam, dacht ik eindelijk een paar antwoorden te vinden, maar er zijn alleen vragen bij gekomen”, verzucht een hoge Amerikaanse officier van de vredesmacht IFOR. “Zelfs bij de bloedigste bokswedstrijd gaan de vechtersbazen af en toe in hun eigen hoek van de ring zitten uitblazen. Dat heb ik hier nog niet meegemaakt.”

Vandaag, negentig dagen na de plechtige ondertekening van het Dayton-akkoord in Parijs, op 14 december 1995 ('D+90'), zou Bosnië rustiger moeten ademhalen, maar het tegendeel lijkt het geval. De eerste, 'militaire' fase van het akkoord, die vooral tot doel had de legers te scheiden en een begin te maken met het opruimen van mijnen en zware wapens, is vandaag grotendeels succesvol afgesloten. Maar voor andere bepalingen zoals de terugkeer van vluchtelingen, organisatie van verkiezingen of politieke samenwerking - die minder van IFOR afhankelijk zijn dan van onderlinge verzoeningsgezindheid - is nog geen begin van een oplossing.

'Dayton' bepaalde dat Bosnië-Herzegovina na vier jaar oorlog zou blijven bestaan als twee-eenheid, met een Servische en moslim-Kroatische 'entiteit', en een gemeenschappelijke economische en buitenlandse politiek. Die staat, met Sarajevo als hoofdstad, is er nog niet. Drie maanden na 'Dayton' lijkt Bosnië zich eerder in drie delen te splitsen, langs etnische lijnen. “De scheidende krachten zijn nog steeds sterker dan die van hereniging”, schreef de Hoge vertegenwoordiger voor civiele wederopbouw in Bosnië, Carl Bildt, deze week bezorgd aan de Veiligheidsraad van de VN. “Er zijn geen significante bewegingen over de etnische grenzen heen geweest”, zei Bildt deze week in Sarajevo tegen deze krant.

Pag.5: Behandeling Serviërs: 'een onnodige flater'

De wittebroodsweken van 'Dayton' zijn voorbij, en de tijd dringt. Het is onduidelijk of de Servische uittocht uit Sarajevo en de toenemende frictie binnen de moslim-Kroatische federatie de vrede fataal zullen worden. Maar volgens militairen, diplomaten en hulpverleners in Bosnië hebben ze 'Dayton' in elk geval zware schade toegebracht. “De Bosnische Serviërs gebruiken de exodus van Serviërs uit Sarajevo nu al als argument om moslims niet in Banja Luka en Prijedor [op Bosnisch-Servisch grondgebied] te laten terugkeren”, zegt Kris Janowski, woordvoerder van de VN-vluchtelingenorganisatie (UNHCR) in Sarajevo. De UNHCR rekent met drie soorten repatrianten: de makkelijke gevallen, de iets minder gemakkelijke gevallen en de lastige gevallen. Oorlog kweekt ook eufemismen. De eerste categorie bestaat uit vluchtelingen die, vaak na omzwervingen van jaren, kunnen terugkeren naar hun oude woongebied, dat onder controle staat van hun 'eigen' partij. De tweede categorie bestaat uit vluchtelingen die terugkeren naar gebied onder controle van hun eigen partij, maar niet naar hun eigen huis omdat dat in vijandelijk gebied ligt. De derde categorie bestaat uit ballingen die wel terugkeren naar hun oude woonplaats, hoewel daar de oude vijand de baas is.

Er zijn in totaal 2,3 miljoen Bosnische vluchtelingen, zowel binnen als buiten de grenzen. Het merendeel valt in categorie drie: zij danken hun vluchtelingenbestaan aan de etnische zuiveringen. Slechts enkele tientallen Kroatische en moslim-families uit de eerste en tweede categorie zijn tot nu toe teruggekeerd. Etnisch gezuiverd gebied van de Bosnische Serviërs blijft vooralsnog van vreemde smetten vrij. De Servische uittocht uit Sarajevo suggereert voor de overzijde van de gedemilitariseerde zone niet veel beters. De vluchtelingenparagraaf van 'Dayton', annex 7, die “alle vluchtelingen het recht op terugkeer”, “het recht op teruggave van hun bezit” en/of “schadeloosstelling” garandeert, is vooralsnog zonder betekenis.

Muhamad Saçirbey, de Bosnische VN-ambassadeur, zegt dat zijn delegatie in Dayton vorig jaar een fout heeft gemaakt door in te stemmen met de nu gevolgde overdrachtsprocedure voor de Servische voorsteden van Sarajevo. Hij had graag gezien dat Sarajevo een 'federaal district' was geworden onder gemeenschappelijk bestuur van de twee nieuwe Bosnische 'entiteiten': een Servische en een moslim-Kroatische.

“Dan waren wij en zij gedwongen tot samenwerking”, zegt Saçirbey in het presidentieel paleis in Sarajevo. “Dat had misschien even pijn gedaan, maar op de lange duur was het beter geweest. Nu zijn we een deel van de stadsbewoners kwijtgeraakt en de Bosnische Serviërs kunnen volhouden dat Serviërs niet met niet-Serviërs kunnen samenleven.”

De exodus, plunderingen en branden waren deels het werk van Serviërs die hun orders kregen uit Pale, het hoofdkwartier van Radovan Karadzic, de Bosnisch-Servische leider. Maar na de overdracht hebben moslim-bendes en agenten van de moslim-Kroatische politiemacht Servische achterblijvers eveneens mishandeld. Voor Bosnische politici die aan een multi-etnisch imago hechten was dat een ramp omdat het Karadzic in de kaart speelt. “Dom, een flater, onnodig, tegen onze principes, contraproduktief”, zegt Saçirbey. President Izetbegovic, die van hartproblemen herstelt, doorbrak gisteren de radiostilte met een even boetvaardig communiqué.

Drie maanden na 'Dayton' heeft verzoening in de woorden van Carl Bildt - die ook van eufemismen is gaan houden - “nog geen prioriteit”. Niet alleen tussen moslims en Serviërs, maar ook tussen moslims en Kroaten. Nu hun gemeenschappelijke vijand weinig kan uitrichten vanachter het IFOR-kordon, hebben moslims en Kroaten weer alle tijd om elkaar op hun 'gedeelde' grondgebied opnieuw het leven zuur te maken. Hun federatie, die onder zware Amerikaanse druk is opgericht in 1994 en die vorige maand in Rome en gisteren in Genève opnieuw van noodverbanden werd voorzien, kraakt in haar voegen. “Die federatie is een kaartenhuis”, zegt een hoge Europese politiefunctionaris in Mostar.

In Mostar, in het zuidoosten van Bosnië-Herzegovina, hebben Bosnische moslims en Herzegovijnse Kroaten elkaar in 1993 en 1994 bitter bevochten. Tijdens de gevechten is het oostelijke, moslim-deel van de stad grotendeels verwoest; de Kroaten hadden zware wapens, de moslims nauwelijks. “Grozny”, noemt onderburgemeester Mile Puljic van het Kroatische westelijke stadsdeel de overkant schertsend. Herceg-Bosna, de eenzijdig uitgeroepen 'republiek' van Kroaten in Bosnië, is hier springlevend.

De Europese Unie, die Mostar sinds 1994 bestuurt, heeft een maand geleden vrij verkeer van personen tussen de twee stadshelften ingevoerd. In de praktijk wordt er maar weinig gebruik van gemaakt uit angst voor nieuwe uitbarstingen van de wederzijdse haat of het vereffenen van oude rekeningen. “Iedereen kent elkaar hier”, zeggen veel inwoners uit beide stadshelften. “Je kunt hier de moordenaar van je broer en de man die je zuster heeft verkracht op straat tegenkomen.”

De gemeenschappelijke politiepatrouilles zijn volgens Europese functionarissen nog voornamelijk “cosmetisch”. Enkele gebouwen, voornamelijk in 'Oost' - zoals het stadsarchief, een ziekenhuis-dependance, een weeshuis en de kinderbibliotheek - zijn gerestaureerd en zien er nu mooier uit dan voor de oorlog. Maar de arbeiders op steigers zeggen dat hun werk “misschien wel voor niets” is. Zij doen het omdat de EU hun salaris betaalt, geven ze grif toe, niet omdat ze in vrede geloven.

“Ik kan ze niet dwingen van elkaar te houden”, zegt Hans Koschnick, chef van het EU-bestuur in Mostar en oud-burgemeester van Bremen, in een vraaggesprek met deze krant. “Maar samenleven kan wel, als ze maar bedenken dat het in hun gezamenlijk belang is.”

Het Amerikaanse besluit om de moslim-Kroatische federatie militaire hulp te geven ter waarde van honderd miljoen dollar is ook bedoeld om de twee gelegenheidspartners op rationele gronden nader tot elkaar te brengen. Het geld wordt gebruikt om het Bosnische regeringsleger en het Bosnisch-Kroatische leger, HVO, een gezamenlijke logistieke en commandostructuur naar Westers model te geven, en om 200.000 te demobiliseren soldaten te helpen bij hun overgang naar de burgermaatschappij. Zo moet een alliantie ontstaan tussen het Westen en Kroatië plus Bosnië als tegenwicht voor de Russische connectie met Servië, en om een al te nauwe relatie tussen Bosnië en de islamitische landen te voorkomen.

Maar een deel van het geld wordt ook besteed aan nieuwe wapens, en niet alleen voor het pover uitgeruste moslim-leger. Veel afzonderlijke EU-landen vrezen dat zo'n modern arsenaal in handen van extremisten de instabiliteit juist vergroot en daarmee de kans op het uiteenvallen van de federatie. De Amerikaanse en Brusselse opvatting dat er “geen alternatief” is lijkt echter de doorslag te geven.

Koschnicks motto - het nastreven van gezamenlijke belangen is voldoende om vrede te brengen - beheerste ook de wederopbouwconferentie van dit weekeinde in Sarajevo. Wie 'Dayton' niet dwarsboomt krijgt geld. De honderden internationale politici, diplomaten, hulpverleners en financiers becijferden dat de eerste herstelfase van de oorlogsschade 1,8 miljard dollar moet kosten. Het was een vrijblijvende conferentie; pas op een vervolgbijeenkomst in april, in Brussel, moeten geldschieters hun handtekening zetten. Maar het dilemma waarvoor zij dan staan was nu al zonneklaar: zolang de vrede niet opschiet, blijven zij huiverig; en zolang de investeerders de kat uit de boom blijven kijken, schiet de vrede niet op.

De oorlog heeft bovendien de hervormingen uitgesteld die andere ex-communistische landen inmiddels wel hebben doorgemaakt. Als Bosnië niet snel ernst maakt met het doorvoeren van privatiseringen en het omscholen van de talrijke veteranen uit de commando-economie, komen die 1,8 miljard er niet. De donoren maakten duidelijk geen geld in een bodemloze put te willen gooien.

De tijd dringt ook omdat de Amerikaanse IFOR-troepen in december naar huis gaan. De civiele herinrichting van Bosnië kan dus nog maar enkele maanden onder de IFOR-paraplu plaatshebben. Dat is koren op de molen van zowel optimisten, die geloven dat de geboden haast sneller tot resultaten leidt, als pessimisten, die denken dat de partijen de uitvoering van 'Dayton' nu juist zullen traineren. In welk kamp de chef van de reconstructie, Carl Bildt, zich bevindt is wel duidelijk. “Zonder IFOR waren we binnen een paar seconden out of business”, zei hij zaterdag. “Maar anderzijds draagt IFOR ook niet veel bij aan de organisatie van de verkiezingen of de terugkeer van vluchtelingen. IFOR heeft wat dat betreft een al te ontspannen houding die ze verdedigen met het argument dat hun missie zuiver militair moet blijven.”

De eerder genoemde Amerikaanse officier moet hard lachen. “Ik kan haast niet wachten op de geschiedenisboeken die me uitleggen wat hier eigenlijk had moeten gebeuren”, zegt hij.