Asfaltmeer treurig overblijfsel op Curaçao

WILLEMSTAD, 19 MAART. Het staat op niet op de kaarten die toeristen in hun kleurrijke reisgidsen en brochures over Curaçao vinden. Toch is het 52 hectare groot, een grote grijze vlakte achter de haven van Willemstad: het asfaltmeer. Al tientallen jaren ligt hier asfalt 'opgeslagen', ten minste nog 500.000 kubieke meter, deels vloeibaar en deels gestold asfalt en, in een apart hoekje, zo'n 40 à 50.000 kubieke meter zuurteer, een agressief afvalprodukt, gemengd met allerlei andere onbekende gevaarlijke en giftige stoffen.

Het asfaltmeer is een treurig overblijfsel van de brandstofproduktie voor de geallieerden op het Antilliaanse eiland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Nu, tientallen jaren later, vormt het een van de grootste milieuproblemen van Curaçao. Het opruimen van het asfaltmeer zou naar schatting zeker zestig tot zeventig miljoen gulden kosten. Met het verwijderen van het zuurteer, een mengsel van bleekaarde en zwavelzuur dat overblijft bij de produktie van smeeroliën, zou waarschijnlijk het dubbele zijn gemoeid. De overheid van Curaçao die eigenaar is van deze afvalmeren, kan dat niet opbrengen.

Op aandringen van de geallieerden produceerde de Shell-raffinaderij op Curaçao in de oorlogsjaren, evenals de Lago-raffinaderij van Exxon op Aruba, voornamelijk vliegtuigbenzine die nodig was voor de strijd tegen Japan in de Stille Oceaan. Bij dit raffinageproces kwamen enorme hoeveelheden asfalt als bijprodukt vrij, die Shell, destijds oppermachtig op Curaçao, liet afvloeien op een laag gelegen terrein nabij de raffinaderij aan de Buscabaai, een deel van de haven van Willemstad. Pas in 1968 kwam een eind aan de afvalstortingen, in wat inmiddels het asfaltmeer was geworden.

In de jaren zestig ondernam Shell pogingen om het asfalt, dat nog economische waarde had, in de raffinaderij te verwerken. Maar die bleven zonder veel resultaat. Naar schatting werd slechts 100.000 ton asfalt verwijderd. In de jaren zeventig staakte Shell de verwerking en het asfaltmeer bleef zoals het was: toen nog 'gevuld' met 1,5 miljoen ton asfalt, deels vloeibaar en deels in de vorm van de vaste substantie, hier en daar meters dik.

Pas in 1983 werd een nieuwe poging gedaan om het probleem aan te pakken. Afvalverwerker A.J. van der Kooy uit Pijnacker, die door een zakenrelatie op het bestaan van het asfaltmeer was gewezen, toonde zich geïnteresseerd om het Shellasfalt te exploiteren. Na overleg met de oliemaatschappij richtte Van der Kooy op Curaçao een onderneming op, Nareco NV (Netherlands Antilles Recycling Company), die op 18 maart van dat jaar met Shell een contract sloot. In tien jaar tijd zou het asfalt uit het meer worden gehaald, en verwerkt.

Pag.16: Asfaltmeer is 'een grote milieuramp'

Het belangrijkste produkt, stookolie, zou door Nareco aan de Shell-raffinaderij worden teruggeleverd. Van der Kooy bouwde op een dijk tussen de Buscabaai en het asfaltmeer een installatie en ging aan het werk. Met grijpers werd het asfalt uit het meer gehaald, in smeltbakken tot 95 graden verhit tot ruwe stookolie die vervolgens naar de raffinaderij werd gepompt. In januari 1984 bedroeg de produktie al 500 ton olie per dag. Van der Kooy: “Na drie maanden vroeg Shell Curaçao of de produktie kon worden opgevoerd tot 1.000 ton per dag gezien de goede kwaliteit van de olie en de grote vraag naar dit produkt. We voerden de capaciteit van de installatie op en in juli 1984 bedroeg de produktie 1.000 ton per dag. Shell betaalde 25 dollar per ton. Daar heb ik toen goed aan verdiend.”

In 1985 kwam er een kink in de kabel die verstrekkende gevolgen zou hebben. Op 23 september van dat jaar deed Shell, na maandenlange onderhandelingen met de Antilliaanse en Nederlandse regeringen, de raffinaderij aan de Buscabaai alsmede de tankopslag, het sleepbootbedrijf en de lokale verkoopmaatschappij voor een gulden per bedrijf, dus in totaal vier gulden, 'met alle lusten en lasten' over aan de Nederlandse Antillen en Curaçao. Met deze transactie werd voorkomen dat de raffinaderij, waar ruim drieduizend mensen werkten, voorgoed zou woren gesloten, zoals Shell aanvankelijk van plan was. Curaçao verhuurde de raffinaderij aan de Venezolaanse staatsoliemaatschapij PDVSA die de exploitatie voortzette. Shell wijst er bij monde van bedrijfsjurist mr. J. Kooy op dat het asfalt in het meer op het moment van de overdracht in 1985 een 'lust' was omdat het een economische waarde had.

Het contract tussen Nareco en Shell ging in deze overdracht mee - het eilandbestuur van Curaçao werd de nieuwe contractpartner van Nareco - maar dat wist Van der Kooy aanvankelijk niet. “Dat is overigens ongeveer hetzelfde als een fietsenmaker te vragen een raket te lanceren”, zegt hij achteraf. In augustus 1985, enkele maanden voor de definitieve overdracht van de Shell-bezittingen aan Curaçao, tekende Van der Kooy een overeenkomst met Shell waarin werd bepaald dat Shell zijn verplichting tot afname van de stookolie zou overdragen aan derden. Van der Kooy: “Dat is een grote fout van me geweest. Ik ben te goed van vertrouwen geweest. Want eind september moest ik plotseling de produktie stilleggen omdat Shell de olie niet meer wilde hebben. Ik werd verwezen naar de nieuwe eigenaren.”

De Venezolanen van PDVSA die de raffinaderij - met de nieuwe naam ISLA - van het Curaçaose eilandbestuur huurden, hadden aanvankelijk geen belangstelling voor de stookolie die Nareco uit het asfalt haalde, mede omdat de olieprijs op de wereldmarkt inmiddels fors was gedaald. Het eilandbestuur - de nieuwe contractpartner van Nareco - mocht ingevolge de huurovereenkomst met PDVSA geen olie uitvoeren en wist dus kennelijk niet wat ze met de stookolie van Nareco zou moeten doen. Van der Kooy: “Tijdens de onderhandelingen over de overdracht van de raffinaderij gold een spreekverbod voor de betrokkenen. Als ik had geweten dat het eilandbestuur de contractverplichting met Nareco zou overnemen, had ik de overeenkomst met Shell nooit getekend. Ik vertrouwde erop - zoals Shell me ook te verstaan had gegeven - dat de overgang van het contract correct zou worden geregeld. Maar er gebeurde niets.” Van der Kooy, die “van het kastje naar de muur” werd gestuurd, moest dertig van zijn 55 werknemers ontslaan. Vijftien man bleven in dienst om de installatie te onderhouden en tegen diefstal te beschermen. Op dat moment had hij met Nareco zo'n 500.000 ton asfalt uit het meer gehaald en verwerkt.

De impasse duurde enige jaren. In 1986 moest Nareco volgens Van der Kooy twee miljoen gulden in één keer afschrijven, op een totale investering van vijf miljoen. In 1987 kreeg Van der Kooy “na veel heen en weer gepraat” 1 miljoen gulden van het eilandbestuur als vergoeding voor achterstallige kosten. Hij sloot ook een nieuw contract, met de NV Buscabaai, de voorloper van Curoil, de huidige oliemaatschappij van Curaçao. Buscabaai verkocht de stookolie die Nareco produceerde op zijn beurt weer door aan PDVSA, de exploitant van de ISLA-raffinaderij. De Nareco-produktie bleef echter beperkt tot 300 ton per dag. De prijs die voor de stookolie werd betaald (10,27 dollar per ton) was volgens Van der Kooy “veel te laag”. Nadat niettemin nog eens 500.000 kubieke meter asfalt was verwerkt, kwam de installatie van Nareco op 26 oktober 1993 definitief tot stilstand. Van der Kooy: “Wij waren zowel technisch als financieel aan het eind van ons Latijn. Wat mijn levenswerk had kunnen worden, moest ik wegens het totale gebrek aan medewerking opgeven. Het verlies was in die zes jaar tot vier miljoen gulden opgelopen.” Hij erkent anderzijds dat hij met Nareco in de eerste jaren, toen Shell hem aanvankelijk 25, en later 27 en soms zelfs 30 dollar per ton stookolie betaalde, goed verdiend heeft.

De afvalverbrandingsinstallatie die Van der Kooy bouwde om het zuurteer te verbranden, is nooit voltooid als gevolg van de impasse die ontstond nadat Shell de raffinaderij aan Curaçao had overgedragen. Het gevaarlijke afval met zijn hoge gehalte aan zwavelzuur, ligt er dus nog altijd. Een geestelijk gestoorde man die verdwaald was, kwam hier in 1983 als gevolg van de giftige dampen tragisch aan zijn einde. Ook wordt op het eiland verteld dat een groep geiten hier eens spoorloos verdween. Als het zwavelzuur uit het zuurteer vrijkomt - wat Van der Kooy eens demonstreerde voor een groepje autoriteiten - zijn de bomen in de omgeving een dag later zwart geblakerd.

Het asfaltmeer wordt beheerd door Curoil, dat volgens directeur drs. F.J. de Haan niet de technische middelen om het asfalt te verwerken. Rondom het meer staat een hek dat de afgelopen jaren talloze malen is geforceerd door lieden die hier illegaal afval loosden. De dijken rond het meer zien zwart van de olie. De economische 'lust' die Shell het eiland naliet, is een zware last geworden.

Van der Kooy: “Het asfaltmeer is nu een grote milieuramp. Toen ik, zowel voor als na 1993, voorstellen deed om het asfalt commercieel te verwerken, had echter absoluut niemand op Curaçao belangstelling. Ik gold en geld er als een lastpak. Af en toe kwam er wel een autobus met ministers langs, maar er gebeurde nooit iets. Nog vorig jaar september heb ik Curoil een offerte gedaan om het meer in acht jaar leeg te halen voor de prijs van 27,5 dollar per ton stookolie, maar ik heb geen enkele reactie gehad, zelfs geen bericht van ontvangst.”

De afgelopen jaren hebben andere deskundigen in afvalverwijdering, uit Nederland en de Verenigde Staten, in opdracht van het eilandbestuur van Curaçao onderzoek verricht hoe het asfaltmeer schoongemaakt kan worden. Dat resulteerde in aanbiedingen van 100 tot 300 miljoen gulden, te betalen door Curaçao. Van der Kooy, al 35 jaar werkzaam in afvalverwerking, is nog altijd geïnteresseerd hoewel de Nareco-installatie inmiddels is “leeggestolen en verroest”. Hij meent dat de kosten voor het opruimen van het resterende asfalt tot 60 á 70 miljoen gulden beperkt kunnen blijven. De waarde van de grond die dan ter beschikking komt, kan volgens zijn berekening op 75 miljoen worden gesteld. Het opvullen van het schoongemaakte 'meer' met aarde, en het eventueel bouwrijp maken van het gebied voor bijvoorbeeld bedrijven, zou volgens deskundigen van o.a. Recycling Nederlanbd BV en Envicon BV nog eens zo'n dertig miljoen gulden kosten. Opruiming van het gevaarlijke zuurteer is nog veel duurder. Van der Kooy: “Dat kost zo'n 120 miljoen gulden volgens het tarief van de Afvalverwerking Rijnmond die 3.000 gulden per ton zuurteer rekent.”