Aantal uitzendkrachten inzet van kort geding

De Voedingsbond FNV sleept Friesland Dairy Foods (FDF) voor de rechter. In een kort geding bij de rechtbank in Leeuwarden eist de bond dat het zuivelconcern niet meer dan 10 procent aan uitzendkrachten aan het werk heeft. De vakbond beroept zich op een afspraak met FDF, maar de directie van de onderneming ontkent het bestaan daarvan.

Volgens de Voedingsbond FNV schendt het zuivelconcern een overeenkomst met de bond. Vorig jaar zou in de CAO zijn vastgelegd dat de zuivelonderneming niet meer dan 10 procent flexibele krachten op de werkvloer mocht hebben. Bovendien is afgesproken, aldus bestuurder L. Fortuin van de Voedingsbond, dat de personeelsleden van de arbeidspool - werknemers in vaste dienst die steeds op een andere werkplek worden ingezet - in dit percentage uitzendkrachten zouden worden meegeteld. FDF zou zich niet aan deze afspraken houden.

Bestuurder L. Fortuin noemt de tien procents-norm aan 'aardige buffer'. Friesland Dairy Foods dat 2.600 werknemers telt, zou maximaal 260 uitzendkrachten aan het werk mogen hebben. Volgens Fortuin bedraagt het aantal uitzendkrachten bij FDF dertien procent. Volgens de advocaat van de FNV mr. L. Sprengers heeft de betreffende CAO-afspraak als achtergrond dat de vaste, structurele arbeidsplaatsen niet worden omgezet in flexibele.''

De bond plaatst bovendien vraagtekens bij de rekenmethodes van Friesland Dairy Foods. Het zuivelconcern zou alle flexibele krachten die in de zomermaanden juli, augustus en september aan het werk zijn, niet bij de tien procents-norm hebben opgeteld. In die periode zijn namelijk veel vakantiewerkers in dienst. Sprengers: “Maar ze tellen ook niet de mensen mee die al vanaf 1 januari aan het werk zijn. Vervolgens delen ze het totale aantal wel door dertien maanden. Om het percentage te drukken vermoedelijk.”

Een hoger percentage dan tien procent is alleen mogelijk wanneer daarover op voorhand afspraken worden gemaakt met de bonden. Sprengers is van oordeel dat de reorganisatie bij FDF - in vier jaar tijds werd het aantal arbeidskrachten teruggebracht van 4.000 naar 2.600 - te ingrijpend is geweest. Anders zou het zuivelconcern niet het hoge percentage van dertien procent aan flexibele krachten inhuren.

De voedingsbond beschuldigt FDF er tevens van een andere afspraak uit de CAO te schenden: flexibele krachten zouden minder verdienen dan mensen in vaste dienst. Dit wordt bevestigd door voorzitter J. Hiemstra van de centrale ondernemingsraad van FDF. De flexibele werkers zijn veelal jonge, langdurig werklozen. “Ze pakken alles aan, omdat ze geen werk hebben. Het aanbod is immers groter dan de vraag en daar maakt de werkgever dankbaar misbruik van”, meent Hiemstra. Hij bevestigt dat op sommige FDF-onderdelen “een te hoog percentage uitzendkrachten” werkt. “Maar we zitten in een krimpende markt. Als er straks arbeidsplaatsen wegvallen, kunnen we die niet opvullen.” Hiemstra is van mening dat het geschil tussen bond en directie het beste in der minne geschikt had kunnen worden. “Het is jammer dat ze op een dergelijke manier met elkaar omgaan. In beginsel staan we achter de bond.”

Directievoorzitter ir. A. A. Olijslager van FDF ontkent dat er afspraken zijn gemaakt met de Voedingsbond over een maximum aantal uitzendkrachten. “Die tien procent wordt wel genoemd in de CAO, maar in deze onderneming zijn andere dingen afgesproken in het kader van de reorganisatie. Er is echter nooit over een norm gesproken en die kan daarom ook nooit vastgelegd zijn.”

Volgens Olijslager biedt de CAO de mogelijkheid om van de tien procents-norm af te wijken. “Wij hebben de vrijheid om zonder enig vastgesteld percentage tijdelijke werknemers aan te nemen.” Gezien de dreigende teruglopende werkgelegenheid in de Nederlandse zuivel - Friesland Dairy Foods maakte dit jaar 23 miljoen gulden minder winst dan in 1994 - zou het 'dom' zijn, zo stelt Olijslager, om meer mensen een vast arbeidscontract te geven. “De reductie van het aantal arbeidsplaatsen kunnen we opvangen door werknemers van de ene locatie over te plaatsen naar andere. Dat is sociaal beleid.” Olijslager schat het aantal tijdelijke krachten - “geteld hebben we ze nooit echt” - op tien à twaalf procent. “En dat is geen enkel probleem.”

Dat het flexibel personeel minder krijgt uitbetaald dan de rest, ontkent hij. Fortuin vindt het 'triest' dat Olijslager het contract met de vakbonden 'niet kent'. Ze ergert zich eraan dat de Voedingsbond FNV van het kastje naar de muur is gestuurd toen men aan de bel trok over de hoge percentages. “De business- units verwezen me naar de concerndirectie en de concerndirectie weer naar de business-units.” In bepaalde units zouden zelfs tussen de 17 en 20 procent uitzendkrachten werken en “die bezetten structurele arbeidsplaatsen”, aldus Fortuin.