Pro Juventute als antwoord op justitiële praktijk

De voogdij-instelling Pro Juventute werd honderd jaar geleden opgericht. De zorg voor pupillen werd steeds belangrijker. Maar de ouders werden niet vergeten. “Je was er voor het hele gezin.”

AMSTERDAM, 18 MAART. De eerste dag na de grote vakantie reed gezinsvoogd W.A. Kruiswijk-Grunbauer altijd even naar Amsterdam-West waar zij twee kinderen uit een gezin van negen onder haar hoede had. Elk jaar was het raak: de kinderen waren niet naar school maar speelden buiten. Zodra zij de de gezinsvoogd aan zagen komen, riep een van hen: “Jongens, de vakantie is voorbij, daar is mevrouw Kruiswijk”. Binnen een kwartier zaten ze op school.

Ruim dertig jaar werkt Kruiswijk als vrijwilligster voor Pro Juventute in Amsterdam. Afgelopen zaterdag werd het honderdjarig bestaan gevierd. Bij die gelegenheid werd Kruiswijk door wethouder G. ter Horst onderscheiden met het Ereteken van verdienste van de stad Amsterdam. Inmiddels is Pro Juventute opgegaan in de stichting interculturele jeugdzorg Amsterdam.

Pro Juventute werd op 16 maart 1896 opgericht door de toenmalige hoogleraar strafvordering G.A. van Hamel. Hij was een exponent van de zogeheten 'nieuwe richting' in het strafrecht. Aanhangers van deze richting beschouwden (jeugd) criminaliteit niet als iets wat op zichzelf stond, maar een gevolg kon zijn van sociaal-economische factoren. Het strafrecht stond volgens hen te veel in het teken van schuld en boete. Naar de omstandigheden als gevolg waarvan iemand tot zijn daad was gekomen werd nauwelijks gekeken. Ook werden jonge en volwassen daders door de rechter over één kam geschoren, hoewel kinderen niet konden worden veroordeeld tot de doodstraf, verbanning of eeuwige dwangarbeid. Jeugdhulpverlening moest het antwoord worden op de justitiële praktijk van die dagen.

De vereniging bestond uit drie afdelingen. In de eerste zaten de magistraten die zich bezig hielden met het jeugdstrafrecht, de tweede afdeling werd gevormd door advocaten die rechtsbijstand verleenden aan kinderen onder de achttien jaar. De derde afdeling had de zorg over pupillen en bestond voor het grootste deel uit vrijwilligers. Deze afdeling kwam hoe langer hoe meer centraal te staan. De overheid bleek bereid financiële hulp te bieden, waardoor professionele krachten, de latere jeugdmaatschappelijk werkers, konden worden aangetrokken. Van 1947 tot 1992 verscheen jaarlijks de Pro Juventute-kalender - met een hoog Oranjegehalte. Met de opbrengst van de kalenderverkoop werden jeugdhulpverleningsprojecten gefinancierd.

Kruiswijk: “Je was er nooit alleen voor het kind dat door de kinderrechter een ondertoezichtstelling kreeg opgelegd. Je was er eigenlijk voor het hele gezin. Voor de moeder die het allemaal te veel was en geen interesse kon opbrengen voor schoolprestaties. Daar praatte je ook mee. Ik had steeds gemiddeld twee gezinnen en vaak hadden de ouders psychische problemen.”

Wekelijks ging ze bij haar pupillen langs om te informeren hoe het op school ging en om spelletjes te doen. Ze had steevast een kwartje of wat snoep bij zich wanneer de rapporten waren uitgedeeld. De kinderen kwamen ook bij haar thuis. Zoals het meisje dat na een middag spelen weer met de bus naar haar moeder moest, maar niet wilde. Ze nam afscheid van Kruiswijk maar die had zich nog niet omgedraaid of het meisje wist zich ongezien te verbergen in een kast. De nacht bracht ze door in het verwarmingshok. “Toen ik de volgende ochtend wakker werd, stond ze met thee naast mijn bed. Ik wist niet wat ik zag”, zegt Kruiswijk.

Ouders meldden zich ook vrijwillig bij het adviescentrum van Pro Juventute om hulp bij de opvoeding. Zo werd voorkomen dat kinderen afgleden en dat ouders geen andere uitweg zagen voor hun onmacht dan slaan. “De huizen ingaan, dat moet je kunnen, dat kan niet iedereen”, zegt L. Dikker die tientallen jaren als vrijwilligster voor Pro Juventute heeft gewerkt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hielp ze joodse kinderen onder te duiken. “Door de oorlog konden wij niet studeren. Later kreeg ik zelf kinderen maar ik wilde er iets bij doen. Dus bood ik mijn diensten bij Pro Juventute aan.” Haar eerste pupil was een jongen van dertien met iets te lange vingers. “De moeder vroeg me of ik het broertje er ook bij wilde nemen. Met hem was niets aan de hand, maar zij vond dat hij naar de ambachtsschool moest. Ik heb hem laten testen en hij kon zo naar het athenaeum.”

In de jaren zeventig onstond kritiek op kinderbeschermingsmaatregelen waardoor het recht op zelfbeschikking van zowel het kind als de ouder werd aangetast. De Bond voor Vrijheidsrechten, Release en de Jongeren adviescentra (JAC) verenigden de critici tegen de gevestigde, en in hun ogen dus autoritaire, justitiële gezagsdragers. De gezinsvoogdij binnen Pro Juventute had geen pasklaar antwoord op deze ontwikkeling. Kruiswijk vond het “wel een beetje wild” wat er gebeurde. “Er werd vooral gekeken naar de kant van het kind. Dat vond ik wel sneu voor de ouders want er zijn er veel die het echt proberen zo goed mogelijk te doen maar niet altijd slagen.”