Ook Borka heeft toch maar de wijk genomen

SARAJEVO, 18 MAART. Borka is niet thuis. Ze komt ook niet meer thuis. De keuken, waar haar moeder twee maanden geleden nog gerookt kalfsvlees met zure room op tafel zette en haar vader Heine's Lorelei citeerde, is geen keuken meer. De voordeur staat open. De kamers zijn kapotgeslagen. Op de vloeren ligt nat vuilnis.

In januari bezwoer ze dat ze in Ilidza zou blijven als deze Servische voorstad van Sarajevo aan de Bosnische regering zou worden overgedragen. Want hier woonden haar vrienden. Haar vader, Ljubo Bosiljcic, is lid van het Bosnisch-Servische parlement van Pale, maar zei zichzelf als “een duif” te beschouwen. Daarom dacht hij een kans te maken in de landspolitiek van het quasi-herenigde Bosnië dat na de Dayton-akkoorden zou moeten ontstaan. Ook hij wilde blijven.

Vorige week hebben de Serviërs Ilidza opgegeven. Borka's vader heeft zich mogelijk bedacht. Borka heeft aan de deur een briefje opgehangen met de mededeling dat ze hier niet meer woont, en een verregend telefoonnummer in Ilidza. Maar er is hier al dagen geen telefoon meer die werkt. “Ich weiss nicht was soll es bedeuten / warum ich so traurig bin.”

Met zo'n 20.000 inwoners was Ilidza de grootste van de vijf, voornamelijk door Serviërs bewoonde voorsteden van Sarajevo die volgens 'Dayton' onder bestuur van de moslim-Kroatische federatie komen te vallen. Morgenochtend, op 'D+90', negentig dagen na de ondertekening van het Dayton-verdrag in Parijs, is de laatste voorstad aan de beurt: Grbavica. In de vijf wijken is niet meer dan een kleine minderheid achtergebleven, meest bejaarden zonder geld of onderdak elders in Servisch Bosnië. De anderen zijn vertrokken met medenemen van alles wat los en vast zit en niet zelden na hun huis of appartement in brand te hebben gestoken.

De nieuwe bewoners van Ilidza, Ilijas, Hadzici, Vogosca en Grbavica zijn moslims: voormalige bewoners van deze wijken die er sinds 1992 zijn verdreven, of vluchtelingen elders uit Bosnië. Bij de ondertekening van 'Dayton' is de hoop uitgesproken dat de vijf voorsteden hun vooroorlogse gemengde samenstelling zouden terugkrijgen. Dat is dus een illusie gebleken.

De vredesmacht IFOR heeft te weinig gedaan om de Serviërs te beschermen tegen intimidatie, brandstichting en plundering door extremisten die hun orders uit Pale kregen, is een veelgehoorde oorzaak. Pale houdt niet van multi-etnisch. De Bosnische regering vindt het eigenlijk ook niet erg dat de Serviërs vertrekken en de moslim-Kroatische politie heeft hen daarbij hardhandig aangemoedigd, luidt een andere beschuldiging.

Pagina 5: 'Er is teveel haat om te blijven'

En ten slotte geloven velen dat Bosnische Serviërs, moslims en Kroaten nog helemaal geen behoefte hebben aan de poging om opnieuw samen te leven die 'Dayton' van hen vraagt. Op D+90 zal weer een stukje Bosnië etnisch iets zuiverder zijn geworden.

Pero Krsman (60), een Serviër, vertrekt uit Grbavica. Hij staat op de weg die langs de helling loopt waartegen een deel van de wijk is gebouwd, met één voet op de vangrail en witte knokkels om de handgreep van zijn paraplu. Zijn gezicht is nat. Hij tuurt over de verwoeste en half-verwoeste huizen naar de stad. Hier, bij het joodse kerkhof, kwam de frontlijn het dichtst bij het centrum van Sarajevo en zijn de felste gevechten gevoerd.

“Ik ben hier geboren, ik heb hier mijn hele leven gewoond en gewerkt en nu ben ik heel droevig”, zegt hij. Bij de IFOR-controlepost achter hem wachten auto's die zijn volgepakt met huisraad, kozijnen, waterleidingbuizen, stroomdraad, zink van het dak, de boiler, rollen tapijt en mensen. Er hangt een vette, zure rooklucht. “Ik kan niet blijven”, zegt Krsman. “Mijn vrouw is gedood door een granaat. Wij hebben in deze stad allemaal geprobeerd elkaar uit te moorden en nu is er te veel haat - hier kan nooit echte vrede komen.”

Niet bekend

Radmila, een Servische - “orthodoxe” - vrouw van in de vijftig, blijft in Grbavica. Ze huilt van woede als ze ziet dat in het flatgebouw naast het hare opnieuw een appartement in lichterlaaie staat. Met een paar scherpe knallen spatten op vijf-hoog de ruiten uit de sponningen. “Waarom helpt niemand ons”, roept Radmila. “Ik haat IFOR, ik haat de internationale politie.” En ze haat ook haar Servische buren, die onbewogen een moskleurig bankstel op een wagentje laden. “Ik heb nooit aan politiek gedaan”, zegt ze. “Ik woon hier 45 jaar. Dit is mijn huis, mijn stad. Ik ben niet schuldig aan deze oorlog en ik blijf.” Later die middag zullen Italiaanse IFOR-soldaten een paar jongens aanhouden die met jerrycans benzine door de wijk lopen.

Nada, een Servische vrouw van in de vijftig, blijft in Ilidza. Ze loopt met twee lege jerrycans naar een tappunt in de wijk. Ze is in 1993 gevlucht uit wat nu moslim-gebied is en woont sindsdien in Ilidza. “Ik ben maar een oude vrouw”, zegt ze met een knipoog. “Wie zou mij nou wat willen doen?”

Sabrija Halilovic, een moslim, is naar Ilidza gekomen. Hij is de nieuwe eigenaar van de roodpluchen pizzeria-nachtclub in Ilidza, die voor de 'bestuursoverdracht' La Fiesta heette en nu een andere naam krijgt die nog even geheim moet blijven. Eigenlijk is hij de oude eigenaar van La Fiesta, zegt Halilovic, maar tijdens de oorlog verhuurde hij zijn zaak aan een Serviër.

Op wonderlijke wijze is La Fiesta als een van de weinige gebouwen in Ilidza gespaard gebleven voor vernieling, een feit dat de eigenaar toeschrijft aan de aanwezigheid van IFOR-soldaten die het nabijgelegen postkantoor bewaken. Hij glimlacht, ingenomen met deze vondst. Er wordt aan de deur geklopt en de portier laat vier sportieve heren binnen, die bij Halilovic aanschuiven. Er komt een fles op tafel. Halilovic verontschuldigt zich. “Zaken”, zegt hij. En: “Kom nog eens terug.”

Salko Ibrahimovic (55) is ook naar Ilidza gekomen, met de bus, die verder rijdt waar tramlijn 1 moet stoppen omdat de bovenleiding ophoudt. Zijn zuster en haar man, ook moslims, zijn vorige week uit Ilidza gevlucht en wonen nu bij hem in het centrum van Sarajevo. Salko heeft gehoord dat hun huis brandschade heeft opgelopen. Het is zondag, hij heeft vrij, en hij gaat maar eens poolshoogte nemen. Dan kunnen hij en zijn zwager misschien volgende maand al met herstelwerk beginnen.

Zijn buurjongen Aidin Alilovski (12), voor wie Salko zorgt sinds zijn ouders door een granaat zijn omgekomen, is met hem meegekomen. Aidin weet nog heel goed hoe het hier voor 1992 was. Toen was hij acht. “Ik kan haast niet wachten om te gaan kijken”, zegt hij. “Er was hier een hotel waar we op zondag wel eens heengingen.” Het hotel is nu het hoofdkwartier van de Britse generaal Sir Martin Walker, bevelhebber van de IFOR-landstrijdkrachten. Er brommen generatoren, het gazon staat vol Landrovers en de poort wordt bewaakt door Oekraïense soldaten die duidelijk naar huis verlangen. “Er was hier prachtig water”, zegt Aidin. Dat moet de bovenloop van de rivier de Bosna zijn, die hier is gekanaliseerd. Er liggen autowrakken in de grijze stroom en er spoelt vuilnis langs. Later wil hij vliegtuigmonteur worden. Wat hij de mooiste vliegtuigen vindt? “MiG's, natuurlijk.”

In Grbavica woedden gistermiddag 22 branden, aangestoken door vertrekkende Serviërs. Sinds vrijdag brandweerlieden van de Bosnische federatie met handgranaten werden bestookt worden de branden niet meer bestreden. Diverse brandstichters werden door IFOR-troepen opgepakt, overgedragen aan de Bosnisch-Servische politie en door deze prompt vrijgelaten. In Ilidza werd ook gisteren geklaagd over intimidatie en geweld van moslim-benden die in deze vorige week overgedragen wijk de laatste achtergebleven Serviërs proberen weg te pesten. Een VN-woordvoerder protesteerde heftig bij de regering in Sarajevo en zei dat de Serviërs in Ilidzda reden hebben zich “verraden” te voelen door zowel de internationale gemeenschap als de Bosnische leiding. Radovan Karadzic, de leider van de Bosnische Serviërs, zei zaterdag dat de gebeurtenissen in de Servische wijken van Sarajevo maar één ding duidelijk maken: “Bosnië moet worden opgedeeld langs etnische lijnen. Het idee van één staat met drie elkaar vijandig gezinde volkeren leidt tot een nieuwe oorlog.”