Hordenloop van show naar show op Parijse prêt-à-porter-week; Winterse anti-mode: hip wordt wat gewoon lijkt

PARIJS, 18 MAART.Er gewoon uitzien. Dat is volgend seizoen hip. En het heet anti-fashion. Nu de Parijse hordenloop van een kleine 100 prêt-à-portershows bijna is genomen, tekenen de contouren van de wintermode voor 1996-1997 zich af.

Nu hangt menige kast vol met gewone kleren, maar daarmee komt een mens niet weg. Anti-fashion oogt tamelijk pover, maar de materialen zijn verfijnd en kostbaar (kashmier, wollen crepes met lycra, microfibers uit de sportkleding in stemmig grijs, marine, zwart, burberrybeige), en de coupe van simpele broekpakken, jurken en shirts is doordacht, nauw rond het lichaam gesneden. Het is alles behalve eenvoudig om anti-fashion gekleed te gaan.

Te letterlijke citaten uit de jaren zeventig - het barstte op de catwalks van heupbroeken, wijde pijpen, puntkragen, mod-jasjes - zijn voor de ware anti-mode adept taboe. Maar subtiele verwijzingen naar trends mogen, moeten zelfs. Protagonist van deze stijl is de Oostenrijkse ontwerper Helmut Lang. Lang reduceerde bijvoorbeeld de militaire look tot slechts een aspect ervan: de kleur. Inderdaad hebben nauwe transparant gebreide jurken, kanten hemdjurkjes en burgerlijke cabanjassen in legergroen een vervreemdend effect. Avondjurken (die die naam eigenlijk niet mogen hebben) in vies-geel polyester en huidkleurige microfiber-shirts trekken ook zonder pikant gesitueerde lurex-draden wel de aandacht. Omdat ze zo zeldzaam onflatteus zijn. Briljant, oordeelden sommigen.

De anti-fashion trend lijkt sympathiek als verzet tegen de mallemolen van de mode-industrie, maar in zijn opzettelijke eenvoud is het in feite de decadentie ten top. Wat te denken van tweeds en visgraat-stoffen die eruitzien als inferieure oostblokwaliteiten - bijvoorbeeld bij Veronique Leroy - maar ondertussen zacht en rekbaar aanvoelen, en ook fors aan de prijs zijn. De Russische nouveau riche die massaal komt winkelen in de Faubourg St. Honoré en Rue George V zal er toch zijn neus voor ophalen.

Voor algemene en populaire tendenzen richt de fashion-watcher de blik op Milaan en New York. Prada, Dolce & Gabbana, Donna Karan, Calvin Klein, Jil Sander zijn de bestsellers in de mode-industrie. Parijs is steeds meer het podium van een groep avantgardistische ontwerpers die vaker niet dan wel uit Frankrijk komen. Yohji, Comme, Westwood en consorten verzamelen ieder voor zich een schare volgelingen die ver wil blijven van trends - ook een vorm van anti-fashion. Hun invloed op de confectie-industrie lijkt tanende, maar wereldwijd voorzien de fanclubs blijkbaar in economisch potentieel voor deze ontwerpers.

Vraag is waar ze de centen vandaan halen, de Westwood-groupies bijvoorbeeld van amper 20 die, hoofddoekjes om het getoupeerde haar, in sappige decolletés en supergetailleerde tweedjasjes op twee decimeter hak staan te tollen voor aanvang van de show. Westwood, meer dan ooit de spot drijvend met alles wat Brits is, kent de maat van de humoristische overdrijving. Schotser dan schots zijn de ruiten en de kilts, Engels nuffig zijn de bloemencorsages, de ruches en pompoenen, en zwierig-sexy de Savile Row dandys in sluike krijtstreep, en de ladies in zandloper-mantelpakken. Weinig nieuws onder de zon, maar waarom zou Westwood niet even teren op haar positie? Wel experimenteert ze met a-symmetrie, onder meer in klokkende rokken die aan de achterkant aan één been blijven kleven. Natuurlijk met maar een bedoeling: de aandacht vestigen op het achterwerk.

De presentatie van Comme des Garçons voor een select publiek van 300 genodigden deed denken aan een biljartwedstrijd: in de geconcentreerde stilte waarin het model opkomt ging alle aandacht naar het kledingstuk, dat meestal een bewonderend applaus oogste. Rei Kawakubo verraste met een wel heel eigen interpretatie van flower power. De natuurlijke of gestileerde bloemenprints in fluweel-relief of jaquardweefsel zien er van een afstand uit als het purper of lelieblauw van prinsen en prelaten uit vorige eeuwen. Maar het blijken ultralichte kunststoffen, waarop bloemmotieven zijn aangebracht. De meestal gevoerde en vaak gewatteerde omhulsels die alleen met een speld worden gesloten geven een beschermd en machtig gevoel.

Zo licht als de stoffen bij Comme des Garçons zijn, zo zwaar zijn ze bij Yohji Yamamoto. Stugge maar zachte roomwitte en zwarte vilten jassen, vuistdikke breisels - aan een kant soms zo harig of het ongesponnen wol is - en jurken, overgooiers, truien in lagen over elkaar heen wekken de indruk of de drager bescherming nodig heeft tegen meer dan kou alleen. Yamamato is een meester in het bedenken van nieuwe constructies: zelfs in breiwerk brengt hij coupe: ingebreide ellebogen (stel voor als hiel van een sok), en coupenaden geven ruimte aan borsten en heupen. Aan de constructie van een baljurk van turkoise neopreen met daarover een transparant zwarte laag zou je een essay kunnen wijden.

Een squaw in couture. Dat was het idee achter een energieke en fantasierijke show van John Galliano. De Indiaanse Hopi-motieven op dekenjassen, de gaucho-broeken en veren in de hoofdtooien zijn amusante maar tamelijk overbodige details in een rommelige collectie bestaande uit individuele prachtstukken. Zijn hippe imago is misleidend: Galliano is in wezen een orthodoxe mode-ontwerper, die de (Franse) couture traditie hoog houdt.

Grauwe kousen met ladders, zwartgemaakte gezichten als schoorsteenvegers, en een mannelijke slaaf die een parasol draagt met lampjes aan de binnenkant, ter meerdere eer en glorie van de Armoe. Dat was de styling van Martin Margiela's show. De gevoerde XL T-shirts, de rafelige spijkerjurken en de rokken van voeringstof onder dikke kabelvesten - die daadwerkelijk van de vlooienmarkt zouden kunnen komen, want dat is Margiela's handelsmerk - pasten er perfect in. Maar werden dan toch wel gecombineerd met djellaba's en soepjurkjes van de fijnste kwaliteit beige kasjmier, wijde broeken van ruisende microvezels, trendy 3/4 trenchcoats in zilvergrijze, zwarte en beige wol. Ofwel hoe je ruig èn elegant kunt zijn met weinig middelen.

Zeker een handvol ontwerpers spelen met a-symmetrie. Ann Demeulemeester gaat daarin het verst. Te ver. Wat moet een mens met jasjes met maar één mouw? Krijtstrepen draaien rond benen en torso's, vesten zijn scheef dichtgeknoopt, de sluitingen van overhemd- of soepele jerseyjurken (alles in zwart of vuurrood) lopen schuin onder de oksels weg. Als Demeulemeester hiermee een boodschap heeft, waarom is haar gelijktijdig gepresenteerde mannencollectie dan veel voorzichtiger, rechttoe rechtaan? Hier had een wat nadrukkelijker Demeulemeester-toets niet misstaan. Overmorgen worden de laatste shows in Parijs gehouden.