Honingzoete 'femmes fatales' van een boze vrouw

De tentoonstelling 'It's great to be a woman' is t/m 12 mei te zien in Bax Gallery, Rijksstraatweg 1-3 , Buurmalsen. Di t/m za 10-17u, zo 17/3, 21/4 en 12/5 geopend van 13-17u.

Het blijven femmes-fatales, met hun pronte borsten, hun welgevormde billen en hun onbeschaamde roze naaktheid. Zo honingzoet zijn de pasteltinten waarin Christine Kowal Post (1951) haar manshoge beelden beschilderde, zo kinderlijk eenvoudig de vormen die zij uit het hout snijdt, dat je ze desondanks onschuldig waant.

Met die argeloosheid kom je echter bedrogen uit. Want onschuldig blijken de dames allerminst. Zij weigeren langer de rol in te nemen die de mythologie, de bijbelse verhalen of de geschiedenis hen hadden toebedacht. Leda, die zich in de klassieke mythe laat verleiden door een zwaan - een vermomming van de goddelijke vrouwenverslinder Zeus - is in Kowals Posts lezing een vamp die de geknakte hals van de uitgeputte zwaan stevig in haar vuist knelt. En Eva drijft de spot met haar aandeel in de erfzonde door de duivelse slang als springtouw voor haar ochtendgymnastiek te gebruiken.

Vrolijke scherts kenmerkt de beelden op de expositie It's great to be a woman - het Nederlandse debuut van de in Nigeria geboren Britse beeldhouwster. “Ik wil toegankelijke beelden maken”, licht Kowal Post toe. “Op luchtige toon en met verlokkelijke kleuren de toeschouwers verleiden het beeld te bekijken. Wanneer ze onbevangen zijn, kun je hen immers confronteren met dingen die ze niet meer opmerken. Ik geef een nieuwe wending aan bekende mythologische en bijbelse verhalen, waarin het stereotype beeld van de vrouw voortdurend wordt bevestigd. Niet omdat ik alternatieven te bieden heb, maar om tonen dat die cliché-beelden je onopgemerkt bereiken en beïnvloeden.”

Kowal Post: “Vooral jonge vrouwen zijn te berustend, menen dat ze kunnen terugvallen op de rechten die een generatie vóór hen heeft verworven. Maar je moet, vind ik, steeds alert blijven. Bij een economische crisis bijvoorbeeld, zijn het vrouwen die het eerst hun baan verliezen. Misschien is dat in Nederland minder aan de orde dan in Engeland, maar ook hier bestaat discriminatie op grond van sekseverschil: seksueel geweld en intimidatie jegens vrouwen. Ik ben geen hartstochtelijk feministe, maar ik ben wel snel nijdig om iets.”

Grof, recht en hoekig zijn de vrouwen van Kowal Post, althans hun enorme handen en voeten. Lang en smal zijn hun scherpe neuzen en spits hun borsten, die direct aansluiting vinden op de nek, alsof er niet zoiets als een hals tussen zit. Het zijn niet alleen haar metershoge totempalen en offerbeelden, die associaties oproepen met Afrikaanse tribale kunst.

Die invloed deed Kowal Post op in Nigeria, waar ze tot haar tiende jaar woonde. “In Nigeria had ik geen benul van westerse kunst. Ons huis stond vol met Donan-beelden en beelden uit Mali. Afrikaanse vormen zijn me eigen, hoewel mijn sculpturen ook duidelijk westers zijn. De tribale kunst heeft een overweldigende kracht en expressiviteit, ondanks de strikte vormregels die elke stam hanteert. Het zijn de restricties die me ook aanspreken in het werken met hout: je hebt een smalle cilindervorm, een boomstronk, en daarmee moet je het doen.”

In Wales studeerde Kowal Post Italiaans en kunstgeschiedenis. “Een compromis”, zegt ze, “met een opleiding aan een kunstacademie gingen mijn ouders niet akkoord.” In 1975 emigreerde ze naar Canada, waar ze als graficus voor een ziekenhuis kon werken. “Ik had geen enkele ervaring, ontwierp wat boekjes, kaarten en folders. Maar ik wilde meer, besloot mijn baan op te zeggen en voor mezelf te gaan experimenteren.” Lange tijd maakte ze houtsneden. De afdrukken, besefte ze, gaven haar minder voldoening dan het werken met de beitels, het hakken in het hout. “Ik ontdekte de houtsneden van de Duitse expressionisten, de houten beelden van Kirchner, en was getroffen door hun gelijkenis met tribale kunst. Beeldhouwen werd me echter sterk ontraden: ik zou er niet sterk genoeg voor zijn. Terwijl het toch echt heel makkelijk is.” Ze slaat haar been over een boomstronk, neemt plaats op de stam en doet het voor. Met een lichte tik van de hamer drijft ze haar beitel door het zachte lindenhout.

Vier jaar woont Christine Kowal Post inmiddels in Nederland. Afgaande op haar beelden, lijkt ze hier minder strijdvaardig, berustender geworden. Waren de vrouwen in haar vroegere beelden vooral eigengereid - zoals de Two Female Figures, die hun naaktheid niet langer aan derden tentoonspreiden, maar zich in onmogelijke bochten wringen om hun lichaam zelf te inspecteren - in haar jongste beelden zijn zij het lijdend voorwerp. Ze worden verslonden door wilde beesten of sterven op de brandstapel. Kowal Post: “Die plotselinge gelatenheid heeft mijzelf ook wel verbaasd. Ik ben me denk ik meer bewust dat je in bepaalde situaties machteloos staat, dat het soms zinloos is om terug te slaan.”

Fel en venijnig zijn wel de uithalen van het potlood, die op de tekenvellen aan de muur van haar atelier, de vormen van de sculpturen schetsen. “Verontwaardigd blijf ik”, zegt Kowal Post. “Maar het schaven aan een beeld kost uren. Het is een hele opgave je woede zolang op peil te houden.”