Dresselhuys bestrijdt wel de zonde, niet de zondaar

Het feministische blad Opzij is haast een kwart eeuw oud. Sinds Cisca Dresselhuys (52) vijftien jaar geleden hoofdredactrice werd, is de oplaag van Opzij tot circa 75.000 gestegen. Volgens Dresselhuys ligt het succes vooral aan het toegenomen aantal goed opgeleide vrouwen die de doelgroep vormen.

Zelden zit Cisca Dresselhuys om woorden verlegen. Ze heeft altijd een een grap, een oordeel of een antwoord klaar als het over feminisme, mannen of Opzij gaat. Verwonderlijk is dat niet, want ze verdedigt vrouwen al jaren tegen dezelfde vooroordelen en aantijgingen. Tijdens voordrachten voor generaals, in bijeenkomsten van plattelandsvrouwen of op het podium van een Rotaryclub: Dresselhuys weet wat ze vindt en ze zegt het - ongelijkheid tussen mannen en vrouwen is er nog steeds. En dat is erg als vrouwen het erg vinden. Een vrouw moet seksistische mannen niet uitlachen, ze moet hen serieus nemen en hen aanklagen, veranderen. Elke vrouw heeft recht op een periode in minirokjes om haar benen te tonen, vindt ze ook. Maar niemand mag van haar vergeten dat vrouwen meer zijn dan een mooi omhulsel. Ze hebben inhoud.

Het zijn min of meer dezelfde geluiden die Dresselhuys en haar collega's vijfentwintig jaar geleden tijdens de opkomst van de 'tweede feministische golf' lieten horen. Zij waren de opvolgers van de eerste golf van onder meer Aletta Jacobs, die in het begin van deze eeuw voor het kiesrecht van vrouwen streed. Bij het ontstaan van de tweede golf - omstreeks 1968 - was er meer ongelijkheid te bestrijden dan er nu bestaat. Getrouwde vrouwen waren veelal economisch afhankelijk van hun man en konden hun kinderen niet onderbrengen in een crèche opdat ook zij konden werken. Er waren nog geen vrouwenopvanghuizen en abortus was nog altijd volkomen illegaal.

De feministische teksten van Dresselhuys en vrouwen als Hedy d'Ancona, Wim Hora Adema en Renate Dorrestein in Opzij logen er in die tijd niet om: “Baas in eigen Buik”, stond op de cover en “Kut ruikt lekker!”. Sommige vrouwen zwoeren mannen geheel af. Ze werden uit politieke overwegingen lesbisch, kleedden zich zo onvrouwelijk mogelijk en gaven mannen de schuld van zo'n beetje alles. Met het gevolg dat feministen als onaantrekkelijke mannenhaatsters werden afgeschilderd en feminisme een vies woord werd.

Bij sommigen bestaat zo'n beeld nog altijd. Dat blijkt uit de woorden van J. van der Reijden, voorzitter van de omroep Veronica, die zegt dat hij zo “aangenaam verrast was” toen Dresselhuys hem vorig jaar kwam interviewen. Ze voldeed namelijk niet aan zijn idee van een feministe. “Ik dacht dat ze zo'n vrouw zou zijn die uitsluitend met plastic handschoenen een man aanraakt. Ze viel me honderd procent mee”, zegt hij. Hedy D'Ancona, medeoprichtster van Opzij, vindt dat de Veronicabaas niet erg met zijn tijd is meegegaan, want de meeste mensen weten allang dat feministen niet meer in een paarse tuinbroek lopen, zegt ze. “Bovendien was Cisca altijd al een vrouw die zich voor mannen aantrekkelijk maakte. Zij behoorde tot de groep die de sociaal-economische positie van vrouwen wilde verbeteren en niet tot de groep die seksuele bevrijding zo belangrijk vond.”

Nog altijd stuit Dresselhuys op vooroordelen over feministes. Ook bij vrouwen. Bijvoorbeeld bij vrouwelijke Tweede-Kamerleden of op het platteland. Volgens Bert Klei, haar vroegere collega bij het dagblad Trouw waar zij twintig jaar werkte, heeft Dresselhuys zich altijd extra zorgvuldig opgemaakt en gekleed, juist om het clichébeeld van een feministe te doorbreken. Hij herinnert zich zijn verbazing toen de 18-jarige Cisca binnenkwam op de redactie van Trouw en tijdens de redactievergadering haar zwarte paraplu zorgvuldig vasthield zodat hij afstak tegen haar groene kleren. Klei: “Ze wilde dat haar uiterlijk opviel.”

Bij haar benoeming tot hoofdredactrice van Opzij in 1981 schrijven de collega's van Dresselhuys dat zij “van Opzij een blad moet maken dat, zonder een scheutje water in de feministische wijn te doen, een veel grotere lezerskring heeft dan nu het geval is.” Vergroting van de lezerskring is gelukt, die is verdrievoudigd. Tachtig procent van de lezers, onder wie betrekkelijk veel mannen, heeft een hbo- of een universitaire opleiding. Er zijn veertigduizend vaste abonnees en 35.000 mensen pakken Opzij maandelijks van het schap in de winkel. Dat komt, zegt haar Opzij-collega Anke Manschot, gedeeltelijk omdat de vrouwenbeweging veel heeft bereikt. “Bepaalde ideeën over emancipatie die mensen vroeger radicaal vonden, vinden ze nu niet meer aanstootgevend.” Zoals gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor vrouwen en mannen, het recht op abortus, ouderschapsverlof voor mannen. Anderzijds citeert Opzij nu niet meer slogans als 'Niet met de onderdrukker naar bed', wat vroeger wel gebeurde. Volgens Manschot zou zo'n slogan tegenwoordig tot opzegging van abonnementen leiden. Oorzaak is ook het toegenomen aantal hoogopgeleide vrouwen dat Opzij ziet als een opinieblad en niet zozeer als een feministisch blad, zegt Dresselhuys.

Maar sommige feministes schrijven het succes van Opzij toe aan verwatering van de “feministische wijn”. “Dresselhuys verhoudt zich tot het feminisme zoals Kok zich verhoudt tot het socialisme”, zegt Dorien Pessers, wetenschappelijk medewerker vrouwenstudies aan de Universiteit van Amsterdam. Beiden hebben volgens haar hun standpunten dusdanig afgezwakt dat zij voor iedereen acceptabel zijn geworden. Het is terug te zien in de inhoud van Opzij, zegt Pessers. “Het blad pretendeert feministisch te zijn, maar is dat niet meer. Het presenteert vrouwen als narcistische wezens die alleen zijn geïnteresseerd in hun lijf en relaties. Opzij waarschuwt niet voor de verschillende politieke en sociaal-economische ontwikkelingen die de positie van de vrouw bedreigen. Zoals het religieus fundamentalisme en het markt-denken”, aldus Pessers. Zo zou volgens haar de herstructurering van de economnie in principe ten koste of ten voordele van de vrouw kunnen gaan. “Maar de geschiedenis laat keer op keer zien dat de vrouw altijd de dupe is”.

Ook de veel jongere Malou van Hintum, schrijfster van het boek 'Macha! Macha!' en televisie-recensent van Opzij, die de tweede-golfgeneratie van Dresselhuys heeft bestempeld als 'klaag-feministes', vindt dat Opzij zich nog nauwelijks onderscheidt van vrouwenbladen als Marie Claire. Van Hintum: “Opzij laat te veel politieke onderwerpen liggen en concentreert zich teveel op relaties en psychologische invalshoeken”. Met een 'Dan lezen ze Opzij niet goed', bestrijdt Dresselhuys de kritiek van Pessers en van Van Hintum. Vervolgens laat ze erop volgen dat “Opzij dikker is geworden waardoor er náást politieke en sociale onderwerpen ruimte is voor verhalen over psychologie en relaties.” De formule van Marie Claire vereist dat vijftig procent van de pagina's besteed wordt aan uiterlijk, zegt Dresselhuys. “Bij Opzij is dat niet zo.”

Net als volgens haar iedereen is Dresselhuys in de loop der jaren minder radicaal geworden. Vond ze vroeger dat elke lezer van de Telegraaf niet deugde, nu zou ze nooit volhouden dat al die zeshonderdduizend mensen “fout zijn”. Verder maakt ze zich er niet meer boos over dat een vrouwelijke cliënt vijftien keer een brief van de bank kan krijgen met de aanhef 'Mijne Heren'. Ze is wèl blij dat andere vrouwen zich daarover nog druk maken in brieven aan Opzij en aan de bank zelf. “Ik verwerp tegenwoordig niet de zondaar maar de zonde”, zegt Dresselhuys. Haar vader was een gereformeerd predikant - onder meer in het katholieke Roermond. De minderheidspositie van de protestantse gemeenschap in het Limburgse stadje en haar positie als enige gereformeerde leerling op een katholieke school, voedden haar onafhankelijkheid. Haar vader overleed toen zij elf was. Van hem en haar moeder, die een druk bestaan leidde als domineesvrouw, zou ze haar gedrevenheid en doorzettingsvermogen hebben geërfd.

D'Ancona wijst op haar calvinistische achtergrond als oorzaak van het feit dat Dresselhuys “nogal streng in de leer was.” Die gestrengheid uitte zich volgens D'Ancona vanaf het begin in de “principiële stukken” die Dresselhuys schreef.

Dresselhuys heeft nooit uitsluitend mannen de schuld gegeven voor de achtergestelde positie van vrouwen. “Vanaf de oprichting van Opzij vonden wij dat vrouwen ook de hand in eigen boezem moesten steken voor wat betreft de ongelijkheid tussen de seksen”, zegt Dresselhuys. Die houding blijkt onder andere uit haar hoofdredactionele rubriek 'Van die dingen dus' in januari 1994: het is goed dat vrouwen veel ambiëren, schrijft zij, maar zij moeten zelf ook doorzetten en niet zeuren of hun plannen opgeven als het traject moeilijker uitpakt dan ze hadden verwacht.

Zonodig draait Dresselhuys tegenwoordig de opmerkingen van mannen om. Als zij trots melden dat “mijn vrouw van mij buitenshuis mag werken”, reageert zij meteen: “O, en mag u dat ook van haar?” Ze is ad rem, vindt voor elk dilemma een oplossing, zegt haar collega Manschot. “Maar soms is ze tè gevat. Ik kan me voorstellen dat haar gesprekspartners niet altijd een weerwoord hebben.”

De formule van Opzij is veranderd sinds de oprichting in 1972. Onder leiding van Dresselhuys maakte het blad in 1984 de officiële koerswjziging: Opzij zou niet meer de nadruk leggen op het slachtofferschap van vrouwen, maar zou de tegenstanders van het feminisme belachelijk maken en het succes van de beweging belichten.

Bijna vier jaar geleden begon Opzij de rubriek Feministische Meetlat. Aanleiding was in 1993 de eerste emancipatienota van de regering die 'Met het oog op '95' heette. Daarin formuleerde de regering haar emancipatiebeleid dat Opzij natuurlijk wilde toetsen. Sindsdien moeten invloedrijke mannen, ook uit het bedrijfsleven en de media, het feministische gehalte van hun personeelsbeleid en persoonlijke levensstijl verantwoorden in een vraaggesprek met Dresselhuys. Op een schaal van -10 tot +10 kreeg Ruud Lubbers het cijfer -2, Joop van Zijl een 3 in het meest recente nummer, en Jan Pronk het hoogste cijfer ooit: een 7. Niemand zal een 10 krijgen, zegt Dresselhuys, omdat “er wel wat te wensen moet blijven.”

En dat blijft er ook, vindt zij. Zelf heeft zij geen kinderen, maar dat betekent volgens haar niet dat zij zich niet kan inleven in de dilemma's van werkende moeders. “Als journalist ben je gewend je in talloze situaties in te leven.” Jonge vrouwen die een gezin willen, kampen tegenwoordig nog steeds met de combinatie werk-en-gezin, vertelt zij. Dresselhuys: “Slechts tien procent van de jonge mannen die afspreken met hun vrouw dat ook zij voor de kinderen zullen zorgen, maakt die wens aanhangig bij hun baas.” Uit de brieven aan Opzij maakt de redactie op dat ook jonge mannen hun carrièrelijn uiteindelijk belangrijker vinden dan hun taak in het huishouden. Op de krapper wordende arbeidsmarkt vinden mannen dat zij voorrang moeten hebben, zegt Dresselhuys. “Want zij denken: ik word toch de kostwinner.” Ook zouden hoogopgeleide jonge vrouwen met een succesvolle carrière het moeilijk vinden hun partner te houden. “Veel mannen dulden geen vrouw naast zich die meer succes heeft dan zij.”

Het zijn allemaal zaken waar ze zich nog dagelijks boos over kan maken. Haar boodschap zal ze dus in Opzij blijven uitdragen, ook al vinden sommige mensen dat zij klaagt. Dresselhuys zou graag nog spreken voor mannenverenigingen. Er ligt tenslotte nog zoveel zendingswerk voor haar. Van de redactie van Opzij mag ze blijven. Ze is een goede journalist en kan goed aanvoelen “wat er speelt”, zegt Manschot. “Als Cisca zou vertrekken, zaten we met onze handen in het haar.”