De vlinderman

Voor jongetjes van dertien, althans voor de meeste jongetjes van dertien, was er in 1943 weinig anders te doen dan overdag granaatscherven zoeken en 's avonds naar het afweergeschut kijken. “Met een paar schoolvriendjes ging ik dus maar rupsen zoeken,” zegt mijnheer Strookman(65). “Vooral de ligusterpijlstaart, want die kwam toen nog veel voor. We kweekten ze tot vlinder. Een aantal prikten we op, de meesten lieten we vrij.

“Na de oorlog bezocht ik Artis met mijn ouders. Daar vlogen atlasvlinders. Helemaal prachtig. Een jaar later las ik in Universum een artikel over het kweken van zijdevlinders, ook dat trof mij diep. De vlinder heeft mij altijd aangegrepen. Ook zonder oorlog was het er van gekomen. Het is schoonheid, pure schoonheid.” Van vlinders kon hij niet leven, dus opende hij een zaak in damesmode. “Ook dat is kleuren en patronen, maar bij vlinders komt het gedrag. Hoe ze dansen, bewegen, achter elkaar aanzitten en paren. Zo gracieus.”

In de huiskamer staat een vlinderarium waarin felkleurige Heliconidae rondvladderen. Over onze hoofden zweeft een grote lichtbruine uilvlinder uit de bananenbossen van Mexico. De rupsen kreeg mijnheer Strookman van een vriend.

“Vroeger, toen de muur er nog stond, had ik veel contact met Oostduitsers en Tsjechen. Intussen heb ik vlinderrelaties over de hele wereld. In de oorlog ruilde je wollen sokken voor graan. Nu ruil ik eitjes tegen poppen of omgekeerd. Ze arriveren per post en moeten eerst in de overgang, anders is de schrik te groot. Het mooiste en spannendste zijn de eitjes. Als het lukt dat uit zo'n speldeknopje een rups komt, die van cocon via pop tot vlinder wordt, is dat schitterend. In de pop zie je de afdruk van de vlinder; de ringslurf, de voelsprieten, de vleugels, het lijfje. Een keurig pakketje, dat voor die tijd in de rups zit. Dat is toch een wonder! Helemaal mooi is het als de vlinders zich zo prettig voelen in mijn kas dat ze gaan paren, waardoor ik meerdere generaties kan kweken.”

Dit voorjaar kreeg hij van een relatie de eieren van de oleanderpijlstaart. Tot zijn verbazing bleek deze nachtvlinder uitstekend te kweken op kunstvoedsel, een mengsel van meel, vitaminen en mineralen. “De kweek ging zo exceptioneel goed dat de tien vrouwtjes samen zo'n 9000 eieren legden. Veel te veel voor mijn kas. Ik maak nooit vlinders dood, maar dit keer moest ik wel. De meeste eieren heb ik in het vriesvak gezet, dan zijn ze meteen dood.”

De vlinderkas staat in de tuin, beter gezegd, de tuin bestaat uit een vlinderkas. In de afgelopen halve eeuw heeft mijnheer Strookman daarin honderden, duizenden vlinders gehouden: doodshoofdvlinders, Monarchen, Indische maanvlinders, atlas- en zijdevlinders, pijlstaartensoorten, Japanse Maiki's, koninginnenpages, Greta Otto's. “Dat is een heel mooi vlindertje uit Midden-Amerika. Het lijken net dansende lichtjes. Hoeveel vlindersoorten er bestaan? Ha, honderdduizend, misschien tweehonderdduizend. Niemand weet hoeveel. In de oerwouden worden telkens weer nieuwe soorten ontdekt. Ik kweek hoofdzakelijk tropische dagvlinders, want die zijn levendiger, groter, mooier en daardoor interessanter. Mijn oudste is zeven maanden geworden. Dat was een bruinrode Parthenos Sylvia uit de Filipijnen.

“Het is een wijdverbreid misverstand dat dagvlinders eendagsvlinders zijn. Die bestaan wel, maar dat zijn microvlinders. Beeldschoon, maar met het blote oog zie je ze haast niet. Een pater deed ooit een ontdekking van een razendsnelle metamorfose. Hij liep langs een boom en aan die boom hing een blaadje. Daarin mineerde een rupsje. Toen de pater later op de dag terugliep, zag hij dat het rupsje in een pop was veranderd en op het punt stond uit te komen, tot vlinder te worden dus. Binnen één dag. Dat is ongeëvenaard.

“Soms krijg ik na een paar maanden een band met een vlinder. Zo'n dier dat vrolijk door mijn stukje oerwoud dwaalt, achter de vrouwtjes aangaat of eieren legt, lekker honingwater drinkt en zijn plant vindt, daar zie ik aan dat het zich thuis voelt bij mij. Als ze doodgaan, loop ik niet te huilen. Daar ben ik te oud voor geworden. Maar wanneer een vlinder op onnatuurlijke wijze sterft, doordat hij beklemt raakt, daar heb ik flink de pest over in. Wat vlinders betreft blijf ik erg gevoelig.”

In zijn kas groeien aristolochia's, hibiscusstruiken en passiefloraplanten. Op het stukje tuin dat nog over is staat liguster, oleander, wijnruit, phellodendron en een prunus. “Ik moet precies weten welke voedselplanten de rupsen nodig hebben en op welke de vlinders later hun eieren afzetten. Dat is een studie op zich. Ik sleep me rot aan planten en zaden en moet altijd een half jaar vooruit denken, anders strand ik. Zo is de Monarch, die heel goed te kweken is, bij mij helaas uitgestorven, omdat de aesclepia's waarop ze leven volkomen uitgeput waren. De Monarch is nogal agressief. Ik heb meegemaakt dat hij met een Heliconidae lag te vechten. Mannetjes vertonen duidelijk territoriumgedrag, 'dit is mijn struik!' Sommige zijn zo paringsbelust dat ze al bovenop het vrouwtje zitten, terwijl zij nog niet eens helemaal uit de pop is. Hup, erop, voortplanting! Het is een harde wereld.”

Voor bepaalde vlindersoorten is de kas te klein om tot paring te komen. Die zet mijnheer Strookman kunstmatig tot paring aan.

“Simpel, door het mannetje te stimuleren met mijn vingernagel en aan het vrouwtje te zetten. Het mannetje houdt zich vast aan het vrouwtje met twee uitstulpingen, daartussen zit de penis. De paring kan een kwartier duren of 36 uur, dat varieert van soort tot soort. Binnen eenzelfde familie kunnen kruisingen voorkomen, maar de vlinders die daaruit worden geboren, zijn onvruchtbaar. Hetzelfde principe als bij het muildier.”

Op het aanrecht in de keuken staat een tupperware doos met rupsen en poppen en in de bijkeuken overwinteren eitjes in glazen schaaltjes. “De Neorina Utonia uit Turkije. Die heb ik nog nooit gehad. Dat wordt weer een verassing.”

“Op een zondag ontsnapte er een keer een zebravlinder. Ik heb geen net, want ik ben geen prikkebeen, dus probeerde ik hem met mijn handen te vangen, dat lukte niet. Het beest vloog omhoog, over het dak naar de voorkant. Ik er achteraan. Komisch gezicht natuurlijk, zo'n grote man achter zo'n vlinder aan. Enfin, het dier woei de hoek om, de kade op. Zonde, denk ik. Die is verdwenen. Na een uur ging ik weer es kijken. Fladderde hij in het portiek voor het ruitje! Ik heb de deur voor hem opengedaan en hem naar zijn vriendinnen teruggebracht. Er zit een computer in de vlinder, een geurcomputer voor voedsel en de andere sekse. Hoe moet je anders dat gedrag verklaren? Of hun trekgedrag over honderden, soms duizenden kilometers? En wij maar denken dat wij zo goochem zijn.”