De rustige roes als cultuurgoed

Toen ik bij coffeeshop Spoetnik een spaarkaart kreeg, wist ik dat Nederland voorgoed veranderd was. Nu de middenstand zich meester heeft gemaakt van de handel zijn hasj en wiet definitief losgegroeid uit de subcultuur. Die puntenkaart - tien gram is tien punten is een gratis gram - maakt duidelijk dat softdrugs een dalend cultuurgoed zijn. Iedereen die wel eens in een walm van cannabis bij Ajax op de tribune heeft gestaan kan dat beamen. De sociale achtergrond van bierdrinkers en hasjrokers vertoont steeds meer overlap.

In de hennepteelt vloeien op een wel heel typerende manier gidsland en handelsland samen. De heimelijke trots op de kwaliteit van onze Nederwiet is alom tegenwoordig. De wietboeren zijn eerlijke werkers, althans zo zien ze zichzelf: “Van het zaadje tot het zakje is het negen maanden zwoegen”, zegt één van hen in Vrij Nederland. “We maken de beste wiet ter wereld, dat heeft een enorme economische en toeristische impact.”

Zo groeide de coffeeshop tegen wil en dank uit tot een nationaal symbool. Vrijwel alle parlementariërs omarmen deze half-legale handel, om maar te zwijgen over politiemensen, artsen, juristen en andere welzijnswerkers. Deze massieve consensus is opmerkelijk en maakt Nederland wel degelijk tot een buitenbeentje in Europa.

Het is terecht dat de coffeeshop in het middelpunt van een verhit debat staat. Want op de drempel van deze institutie komen vele vragen bijeen, die de kern van onze samenleving raken. Vragen als: waar liggen de grenzen van het gedogen en de tolerantie, ontwricht het drugsverbod niet langzaam maar zeker onze rechtsstaat en betekent Europese eenwording niet dat het buitenland zich met ons binnenland gaat bemoeien? Daarom is de coffeeshop een belangrijke testcase geworden.

Gerard Reve heeft eens kritisch opgemerkt: het kwaad heeft altijd bestaan, maar het kenmerkende van deze tijd is dat het kwaad naar erkenning streeft. Dat roesmiddelen 'een kwaad' zijn hoeft niet te worden ontkend. Maar hasj is wel de minste van deze kwaden. Het is een hardnekkig misverstand om te menen dat de versufte types die we op de televisie de coffeeshops zien bevolken de meerderheid van de gebruikers vertegenwoordigen. U gaat toch ook niet in een boekhandel een boek zitten lezen?

Gedogen begint altijd met woordverdraaiing. Waar komt die rare achterbakse term 'coffeeshop' vandaan? Wie is eigenlijk begonnen om de milde toedracht - namelijk een middenstand die keurig over de toonbank softdrugs verkoopt - zo grof te verhaspelen? De slijterij noemen we toch ook geen infotheek? Het past overigens wel in een land dat zijn koloniale oorlog nog steeds blijft omschrijven als 'politionele actie' en ontzielde heroïne-prostitutie verwijst naar 'afwerkplaatsen'.

Gedogen is een altijd wankele overgangsfase tussen een verbod uit het verleden en een wettelijke erkenning in een naderende toekomst. Gedogen kan uit de aard der zaak geen permanente of stabiele toestand zijn. Het probleem is nu dat de overgang naar legalisering, waar eigenlijk iedereen voor is na zo'n twintig jaar gedogen, geblokkeerd wordt. Internationale druk maakt zo'n stap vooralsnog onmogelijk en dus wordt het gedogen tot een permanent regime, waar het nooit voor bedoeld is.

Langdurig gedogen zonder uitzicht op wetgeving leidt namelijk tot corrumpering van een samenleving. Men kan zich wel tijdelijk in een schemerzone van de wet bewegen, maar het langdurig ontlopen van voorschriften ondermijnt het vertrouwen in de rechtsbeginselen. Zo wordt de keerzijde van onze tolerantie zichtbaar: het lokt ook onverschilligheid en overlast uit.

Als de IRT-enquête iets duidelijk heeft gemaakt, is het wel dat het halfhartige drugsverbod werkelijk tot een ontwrichting leidt van de rechtsstaat. Want het onderzoek van Van Traa en de zijnen raakte aan veel onderwerpen, maar eigenlijk liep de problematiek van de drugseconomie als een rode draad overal doorheen. Sterker nog, de softdrugs waren het springende punt bij vrijwel alle ontsporingen.

De aanbevelingen inzake opsporingsbevoegdheden zullen uiteindelijk een dode letter blijven als de bron van alle misstanden bij politie en justitie onaangeraakt blijft. Als de IRT-enquête iets leert, dan wel dat de kosten van de drugsbestrijding allang in geen enkele verhouding meer staan tot de baten. We scheppen zelf een omvangrijke misdaad door een verbod waar niemand meer in geloofd. Daarom staat de coffeeshop voor een probleem dat allerminst lichtvaardig moet worden bejegend: hoe kan de legalisering van drugs worden bevorderd, teneinde een verdere ontwrichting van de rechtsstaat tegen te gaan?

Waar het op neerkomt is dat een meerderheid in Nederland voor gehele legalisering van softdrugs is - de politiecommissarissen voorop - maar dat zulks onmogelijk is wegens de druk uit het buitenland. Daarmee is elk beleid in Nederland getekend door een gebrek aan motivatie: enkel de dwang van buiten stelt de grenzen aan het beleid, niet innerlijke overtuiging. Die wijst immers een andere kant op.

De druk van de ons omringende landen is een triomf voor iedereen die in Europa gelooft. Want is de kern van Europese eenwording niet gelegen in het langzame vervagen van de grens tussen binnenlandse en buitenlandse politiek? Dus men kan niet een voorstander zijn van een federaal Europa en tegelijk de bemoeienis van Frankrijk met onze drugspolitiek principieel als inmenging verwerpen, zoals talloze politici hier doen.

Het merkwaardige van de Europese politiek van Nederland was dat deze altijd werd gedragen door een gevoel van onkwetsbaarheid. Nederland zou immers hèt voorbeeld zijn als beschaafde en welvarende natie. De gedachte dat Europese integratie een vergaande inbreuk zou kunnen betekenen op onze stijl van samenleven kwam de meesten nogal vreemd voor. De aanvaring over het drugsbeleid laat echter zien dat het gidsland Nederland helemaal niet de toon zet, maar eerder als anomalie wordt gezien in de Europese Unie.

Het nationalisme van de coffeeshop toont aan dat Nederland natuurlijk minder Europees gezind is, dan alle retoriek deed vermoeden toen we gewoon netto-verdieners waren aan een Europa dat ons nauwelijk lastig viel. We moeten Chirac confronteren met het compliment dat de Nederlanders ooit van De Gaulle kregen midden jaren zestig: 'têtus, donc une nation', koppig en dus een natie. De Franse president zal die gaullistische deugd wel weten te waarderen.

De zevenhonderdduizend hasj- en wietrokers in Nederland willen doorgaans maar één ding: een rustige roes. Natuurlijk is excessief gebruik slecht. Hasjverslaving is een reëel probleem, zij het op een veel beperkter schaal dan alcoholisme. Maar de meeste gebruikers zullen zich toch wel herkennen in de volgende karakteristiek: hasj leegt het overladen hoofd op een voorbeeldige manier, maakt de nachtrust tot een weldaad, slijpt de scherpe kanten van een samenleving die overloopt van informatie, heeft zelden iemand tot geweld gebracht, kan voor geen enkele vegetariër tot een gewetensprobleem worden. Kortom, hasj is een cultuurgoed in een samenleving die is vergeven van woeste roes.