De ondergang van de Tubantia

Zijn familie en vrienden stonden hem op de kade in de Amsterdamse haven uit te wuiven, toen Jan Fresemann Viëtor op 15 maart 1916 aan boord ging van de Tubantia. Viëtor emigreerde naar Argentinië. De Tubantia, een van de mooiste en nieuwste passagiersschepen van de Koninklijke Hollandsche Lloyd, zou hem in ongeveer twee weken naar Buenos Aires brengen. Een dag later stond Viëtor echter alweer op de stoep van zijn familie in een kletsnatte pyjama, zonder bagage, met alleen zijn viool nog in zijn handen. De Tubantia was in de nacht van 15 op 16 maart getorpedeerd door een Duitse duikboot.

'Een zeekasteel is in de golven verdwenen', schreven de kranten. De Tubantia was de trots van de Nederlandse handelsvloot. Het stoomschip was 14.000 ton groot, ongeveer eenderde van de Titanic. Het was in 1914 in Glasgow gebouwd en had Lloyd bij aanschaf 4,5 miljoen gekost, een bedrag vergelijkbaar met krap een miljard nu. De Tubantia bood plaats aan meer dan 1500 passagiers en had ook een vrij grote laadruimte voor goederen.

Volgens een beschrijving van de Tubantia in een krant, besefte de passagier niet dat hij op een schip was. “Hij waant zich in een weelderig ingericht Kurhaus.” De grote dinerzaal was in empirestijl gedecoreerd. Er stonden tafels van Cubaans mahoniehout met damasten tafelkleden, waarop elke dag verse bloemen stonden, die in de koelkamers werden bewaard. Een strijkje zorgde voor de muziek. Boven in het schip was een hal in Louis Seize-stijl met beeldhouwwerk en grisaille-decors. Aan boord waren verder een rooksalon, een bibliotheek, een conversatiezaal, een damessalon, een werkkamer, een kinderkamer, een gymnastiekzaal, een bacteriologisch laboratorium, een foto-atelier, diverse kapsalons, winkels, een apotheek, een drukkerij en een telefooncentrale.

Vanuit Amsterdam voer de Tubantia door de vaargeul die om het Engelse mijnenveld in het Kanaal heen liep. De vaargeul was gemarkeerd door lichtschepen. Tegen half drie 's nachts was de Tubantia in de buurt van het lichtschip Noord-Hinder, dat in de Noordzee ongeveer ter hoogte van Zierikzee lag. Hier besloot de kapitein voor anker te gaan, omdat er een dikke mist kwam opzetten. Op dat moment zag de kwartiermeester vanuit het kraaienest aan stuurboordzijde een bellenbaan recht op het schip afkomen. De bellenbaan liep dood op het midden van het schip, waarna een hevige explosie volgde. De Tubantia was getroffen door een torpedo.

De schok van de explosie haalde de passagiers uit hun slaap. Zij vluchtten naar het dek, waar de reddingssloepen, zoals gebruikelijk was in de oorlog, al klaar hingen. Men was op rampen voorbereid in die dagen. Tijdens het avondeten had iedere passagier een kaartje gekregen met het nummer van de reddingssloep, waarin hij was ingedeeld.

Er was genoeg tijd om alle opvarenden in de sloepen te krijgen, want de Tubantia zonk waardig. De torpedo was in de bunkers met steenkool vlak achter de machinekamer blijven steken, waardoor het schip nog lang op zijn schotten bleef drijven. Pas tegen zeven uur in de ochtend ging de Tubantia helemaal onder. Eerst ging het schip met de steven omlaag en daarna maakte het slagzij. Toen verdween het onder water. Alleen de schoorstenen kwamen nog een keer boven de golven uit.

Binnen een half uur waren alle passagiers van het schip af. De meesten waren in hun nachtgoed. Zij hadden al hun bezittingen aan boord moeten achterlaten. Er kon niets van de bagage of van de lading worden gered. Ook alle post, ruim 400 zakken, ging verloren. Een opmerkelijk gegeven daarbij was dat het in overgrote meerderheid om Duitse post ging.

De torpedo was in het midden van het schip ingeslagen. Hier lagen de rooksalon, de bibliotheek en de kaartenkamer, die op slag werden vernietigd. De torpedo versplinterde ook de brug en al het glaswerk aan boord. Hoewel er stukken hout in de antennes hingen, kon de radiotelegrafist blijven seinen. Of zoals een krant in die dagen schreef: “Tot het laatst toe heeft hij de draadloze gemeenschap kunnen onderhouden.” Door de noodsignalen konden andere schepen worden gewaarschuwd. Zij pikten later die nacht de schipbreukelingen op. Iedereen werd gered. De kapitein was, zoals het hoort, tot het allerlaatste ogenblik aan boord gebleven met enkele bemanningsleden. Toen zij het schip verlieten was het al bijna te laat. Hun reddingssloep kon ternauwernood ontkomen aan de zuigende draaikolk die het schip veroorzaakte. Staande in de sloep, met hun pet aan de hand, zagen zij de Tubantia in de Noordzee verdwijnen.

J.F. Viëtor had die avond als laatste de rooksalon verlaten. Hij had het geluk dat er niemand meer was geweest om verder mee te borrelen, want anders was hij nog in de salon geweest op het moment dat de torpedo daar was ingeslagen. In zijn hut was hij in een diepe slaap geraakt en niet wakker geworden van de explosie. Viëtor werd gewekt door een medepassagier. Hij kon toen alleen nog zijn viool meegrissen. Deze viool zou hem enkele jaren later op een ander passagiersschip, dat van Argentinië naar New York voer, in contact brengen met een concertvioliste, met wie hij zou trouwen.

Viëtor snelde naar het dek, maar zag daar tot zijn schrik dat de boot die hem was toegewezen door de inslag van de torpedo was versplinterd. Hij kreeg een plek toegewezen in de sloep met machinisten. De machinisten waren bang dat de ketels zouden exploderen en roeiden zo ver mogelijk van het schip weg. De sloep raakte daardoor ver verwijderd van de andere reddingsboten en verdwaalde in de mist. Uren verstreken. Zij vreesden door uitputting en onderkoeling aan hun einde te komen. Maar om half acht 's ochtends, toen de mist enigszins was opgetrokken, zagen zij in de verte een boot. Het was de 'Breda', die Viëtor en de machinisten aan boord nam.

De torpedering van de Tubantia veroorzaakte grote opwinding en verontwaardiging bij de Nederlandse bevolking. De Duitse regering haastte zich te verklaren dat er geen Duitse duikboot in de buurt van de Tubantia was geweest. Het schip moest tegen een Engelse mijn zijn gevaren. Niemand in Nederland geloofde dit echter. Niet alleen de uitkijk, maar ook de eerste en de vierde stuurman hadden de bellenbaan van de torpedo waargenomen. Daarnaast getuigden verscheidene mensen dat zij de periscoop van een onderzeeër hadden gezien. De Nederlandse regering liet het wrak van de Tubantia door duikers onderzoeken. Er werden stukken metaal gevonden waarvan men met zekerheid kon vaststellen dat zij afkomstig waren van een Duitse Schwartzkopftorpedo.

Een hoge marine-officier, overste Canters, reisde met de bewijsstukken naar Berlijn, waar de Duitse marine-autoriteiten wel moesten erkennen dat de scherven afkomstig waren van een Duitse torpedo. Zij stelden nu echter dat de torpedo op 6 maart door de U 13 als misschot was verschoten op een Brits oorloggschip en door een technisch gebrek drijvende was gebleven. De Tubantia moest tegen deze ronddrijvende torpedo zijn gevaren.

Hoe kon een torpedo tien dagen blijven drijven en dan, met de kop schuin naar beneden, toevallig tegen de Tubantia zijn gestoten? De Nederlandse minister van financiën, Treub, rijmde: Wie aan zoo'n torpedo gelooft, Is van zijn verstand beroofd.

Blijkbaar zag men in Berlijn de zwakte van het eigen standpunt in, want men ging er mee akkoord de kwestie na de oorlog te onderwerpen aan het oordeel van een arbitragecommissie. Deze commissie concludeerde in 1922 dat de Tubantia tot zinken was gebracht door de ontploffing van een torpedo, gelanceerd door een Duitse duikboot. De Duitse regering heeft daarop de Koninklijke Hollandsche Lloyd schadeloos gesteld.