Boek 'Operatie Kunstroof' brengt een schijnonthulling

ROTTERDAM, 18 MAART. Onder Stalin zouden ze zijn geëxecuteerd, onder Chroesjtsjov in de gevangenis opgesloten, en onder Breznjev naar het gekkenhuis gestuurd. Nu, onder het presidentschap van Boris Jeltsin, zijn de twee Russische kunsthistorici Grigori Kozlov en Konstantin Akinsja 'gewoon' persona non grata in Rusland. Het tweetal wordt beschouwd als verraders. Ze zijn onlangs verhuisd, van Moskou naar Keulen.

De uit Litouwen afkomstige journalist en schrijver Felix Kaplan stipte het zaterdag even aan, tijdens de presentatie in museum Boijmans van Beuningen van de Nederlandse vertaling van Akinsja's en Kozlovs boek over Russische kunstroof uit naoorlogs Duitsland. Vorig jaar kwam de Engelse uitgave uit. Het boek is een weerslag van een bijna tien jaar durend onderzoek naar de lotgevallen van de meer dan 2,5 miljoen kunstvoorwerpen die op last van Stalin na de Tweede wereldoorlog door het Rode Leger uit bezet Duitsland mee naar de Sovjet-Unie werden meegenomen. Akinsja en Kozlov, die het bestaan van de geheime depots in de voormalige Sovjet-Unie in 1991 wereldwijd bekend maakten, spreken van de 'grootste kunstroof ooit in de geschiedenis'.

Gevoel voor marketing kan het 'overlopersstel' niet worden ontzegd. Want de Nederlandse editie van hun boek - geschreven in samenwerking met Art News-redacteur Sylvia Hochfield - bevat een minuscuul extra hoofdstuk over de lotgevallen van twee Nederlandse collecties, de Koenigs-collectie en de verzameling oude meesters van kunsthandelaar Jacques Goudstikker, die na de Tweede Wereldoorlog spoorloos raakten en opdoken in een van de trofeeëndepots van Moskou. In het voorwoord schrijven de twee: “Voor de Nederlandse editie van dit boek voegden wij nog een hoofdstuk toe over de wederwaardigheden van de Koenigs-collectie waaraan nog een met Nederland verbonden onthulling is vastgeknoopt.” Maar de lezer die gretig het nieuwe, acht pagina's omvattend hoofdstuk openslaat op zoek naar die 'onthulling', komt bedrogen uit.

Het verhaal over de Koenigs-collectie is in grote lijnen gelijk aan dat wat Albert Elen in 1989 in zijn catalogus Missing Old Master Drawings from the Franz Koenigs Collection schreef in opdracht van de Rijksdienst Beeldende Kunst. Nieuw, sindsdien ontdekt archiefmateriaal wordt niet gebruikt, en ook worden fouten gemaakt. Zo kocht de Rotterdamse havenbaron D.G. van Beuningen collectie Koenigs niet ná de inval van de Duitsers in Nederland, maar daarvóór. Dat tijdstip was cruciaal om de aankoopkosten van de verzameling omlaag te drijven. De bankier Koenigs had, in financiële nood verkerend, zijn collectie van circa 2600 tekeningen en 42 schilderijen voor de oorlog bij een bevriende bank in onderpand gegeven. Toen deze joodse bankiers, met het oog op een mogelijke Duitse inval in Nederland, hun bedrijf naar het buitenland wilden overbrengen, probeerden zij de collectie te verkopen. Dat lukte pas na maandenlange onderhandelingen, op 9 april 1940. Toen was de vraagprijs van de voor 4,5 miljoen verzekerde collectie gezakt van 2,2 miljoen tot 1 miljoen gulden.

Aardig aan de pagina's over de Koenigs-collectie is, dat hier iets uitgebreider dan in de Engelse versie wordt stilgestaan bij het feit dat de Nederlandse overheid al in 1945 wist dat de Koenigs-collectie niet bij de bombardementen op Dresden verloren was gegaan, maar in handen van de Sovjets was gevallen. “Waarom (de Nederlandse overheid) dat zo lang stil heeft gehouden, is onduidelijk”, schrijven Akinsja en Kozlov. Dit is niet juist. De Nederlandse overheid heeft vlak na de oorlog al een oproep aan de Sovjet-regering gedaan om de Koenigs-collectie op te sporen.

Tijdens de presentatie in Boijmans van Beuningen, het museum dat hoopt de collectie Koenigs-tekeningen terug te krijgen, vertelde Akinsja dat hij en Kozlov, toen ze het probleem van de Trofeeënkunst openbaarden, dachten dat de zaak binnen een paar maanden zou zijn opgelost. “Trofeeënkunst is nog steeds krijgsgevangen in Rusland”, zei Akinsja. Het tweetal schat de mogelijkheden op teruggave van oorlogskunst somber in. “Vijf jaar geleden was het duidelijk dat museumdirecteuren die kunst in geheime depots verborgen fout zaten. Nu is die houding omgeslagen in het tegendeel.”