Voor Israel is het nu of nooit; Mijn generatie kan zich geen volgende kans permitteren

Het is nu een jaar geleden dat ik mijn zoon vrede heb beloofd. Dit in het Midden-Oosten zo ongrijpbare goed was opeens bijna binnen handbereik in Israel. Je kon de vrede al ruiken, al haast liefkozen, zo echt leek het.

Vorige week, in het hart van Tel Aviv, wist ik pas na tweeëneenhalf uur zoeken, een eeuwigheid, dat mijn zoon nog leefde. Tweehonderd meter, niet meer, scheidden hem van de steeds langere lijst van 'slachtoffers van de vrede'. Mijn vijftienjarige kind was daar, op diezelfde plek, geweest, een kwartier voordat de menselijke bom ontplofte in het hart van het Dizengof Centrum - hét winkelcentrum van Israel.

Tweeëneenhalf uur zwierf ik rond te midden van de verwoesting; halverwege de boze droom kwam ik tot het besef dat ik niet naar de vele levenden keek die ongedeerd werden geëvacueerd uit het spelonkachtige winkelcentrum waar mijn zoon naar toe was gegaan; ik keek naar de smeulende hel aan mijn voeten, zoekend naar bekende schoenen, misschien een blonde paardestaart, wanhopig biddend dat ik die niet vinden zou.

Het zijn gevaarlijke, verwarrende dagen in Israel, een tijd waarin de noodzaak van het voortbestaan een generatie oud verlangen naar vrede verdringt. De belofte van vrede kwam in het Midden-Oosten aan als een verrassing waarvan de smaak velen in Noord-Ierland bekend zou voorkomen. Stel u voor hoeveel Israeli's in 1993 het zoete fruit van de hoop smaakten, toen hun leiders in het Witte Huis de hand schudden van hun ergste vijand, Yasser Arafat.

Met door de stank van brandende dood verdoofde smaakpapillen, vorige week in Tel Aviv en Jeruzalem, viel het moeilijk die hoop in herinnering te roepen. En bij de begrafenis van de dertienjarige zoon van een collega, aan wie die genadige tweehonderd meter tussen hem en de dood niet gegeven waren, kreeg ik het afschuwelijke gevoel dat wellicht pas een volgende generatie die smaak weer zal proeven. Toen ze het verminkte lijk van Yovav Levi, het dertiende slachtoffer van de aanslag in Tel Aviv, begroeven, voelde het aan alsof de belofte van vrede wellicht toch niets meer was geweest dan een nieuwe oorlog in vermomming - dat de bloedvete in het Midden-Oosten zoals ieder conflict moet etteren en rijpen voordat ze tot een einde kan worden gebracht.

Ik heb de langste tijd van mijn leven in Israel gewoond. De langste 'vakantie' die ik ooit heb genomen bracht ik door in Zuid-Afrika, waar ik voor een verblijf van vier jaar arriveerde op 1 september 1984, twee dagen voor de uitbarsting van rellen in Transvaal, die de opmaat vormden voor wat tien jaar later het nieuwe Zuid-Afrika zou worden.

Het soort oorlog dat thans in Israel wordt gevoerd is nieuw - niet alleen voor Israel, maar waarschijnlijk voor iedereen die niet in de zwartste duisternis van de mensheid leeft. Oorlogen werden hier vroeger hoofdzakelijk op het slagveld uitgestreden. Als kinderen voelden we ons beschermd door een competent leger dat de dreiging betrekkelijk ver buiten de stedelijke bevolkingscentra wist te houden.

De eerste oorlog die rechtstreeks tegen Israelische burgers werd gevoerd, door een vijand die had ontdekt hoe hij het veelgeprezen Israelische leger kon omzeilen, was de golfoorlog van 1991. Zes weken lang zaaide Saddam Hussein schrik in ons midden door Scud-raketten af te vuren, meestal op de omgeving van Tel Aviv. Maar het moet hem worden nagegeven dat hij ons negentig seconden vooraf waarschuwde - de tijd die het projectiel nodig had voor zijn reis van de grens van de dampkring naar Israel. Achteraf, de laatste twee weken, lijkt dat in de straten van van Jeruzalem en Tel Aviv een luxe. Geen waarschuwingen; geen aanwijzingen. Een moderne bus in één klap veranderd in een brandstapel voor tientallen doden. Het hart van Tel Aviv, een zonnige wintermiddag op een schoolvrije dag, veranderd in een doodsravijn.

Palestijnse terroristen die bereid zijn te sterven in het diepste geloof dat martelaarschap in de strijd tegen de joden hun een plaats in de hemel zal verzekeren, brengen het slagveld opnieuw in kaart. Israel leeft in gevaar, een volk met blootgelegde zenuwen houdt de oren van nieuwsbulletin tot nieuwsbulleting gespitst; harten slaan over bij iedere langsrazende ambulance. Het is niet het soort oorlog waaraan men gewend raakt, zoals de eerdere conflicten. Evenmin is het het soort oorlog dat volkeren onderwerpt. Israels bestaan ligt niet langer in de waagschaal, tenminste zolang de broodheren van de terroristen in Teheran geen massavernietigingswapens in handen weten te krijgen.

Maar het is wel een oorlog die de hoger dan ooit gespannen hoop op vrede in Israel kan vernietigen, evenals de best gerichte gooi naar de vrede die de Palestijnen ooit hebben gedaan. Vele jaren geleden vatte een Israelische oud-staatsman de tragiek van de Palestijnen aldus kernachtig samen: ze laten nooit een kans lopen om een kans te laten lopen. Ik hoop dat ze deze kans niet zullen laten lopen. Ik denk niet dat mijn generatie zich nog een volgende kan veroorloven.