Verhalen vertellen is de camera op jezelf richten

Krzystof Kieslowski: I'm so-so. Zondag, Ned.3, 23.58-0.54u.

Alleen al voor de alerte beslissing de videodocumentaire Krzysztof Kieslowski: I'm so-so vier dagen na de dood van de Poolse regisseur uit te zenden verdient de VPRO-televisie de hoogste lof. Bovendien is de Deense produktie, geregisseerd door Kieslowski's voormalige assistent Krzysztof Wierzbicki, een heel interessant regisseursportret. Wierzbicki, die de vragen stelt aan de regisseur-in-ruste, voornamelijk in zijn huisje in het Mazurische merendistrict, maakt een zo weinig snuggere indruk dat je kunt vermoeden dat de vorig jaar opgenomen documentaire eigenlijk een zelfportret is. Het blijkt ook uit de ingrepen van Kieslowski in de kadreringen door de cameraman, maar ook uit wat Kieslowski in het begin aan zijn interviewer en ex-assistent zegt: “Dat je me zo goed kent, betekent dat we het overal over kunnen hebben. Het is ook een nadeel: je kent de meeste antwoorden al. Ik zal proberen steeds originele antwoorden te geven, dat is belangrijker dan de waarheid”.

De structuur van I'm so-so is effectief en stimulerend. Het begint met een soort van pastiche op een oude Kieslowski-documentaire: een serie (pseudo-)deskundigen - een grafoloog, een helderziende, een psychotherapeut, een priester - vertelt aan de hand van voor hen relevante gegevens wie Krzystof Kieslowski is. Het oordeel van de arts, die röntgenfoto's bekijkt, zal het meest juist blijken: “Deze man rookt en drinkt koffie. Hij werkt hard en maakt zich erg druk. Hij gaat onvermijdelijk problemen krijgen met hart en bloedsomloop.” Kieslowski overleed afgelopen woensdag op 54-jarige leeftijd aan zijn tweede hartaanval in een jaar tijd.

De rest van de documentaire is ingedeeld in hoofdstukjes, vernoemd naar de titels van Kieslowski's belangrijkste films: Sprekende hoofden, Spokoj, Amator, Blind Chance/Przypradek, Dekalog en Trois couleurs: rouge. Elk hoofdstuk begint met de vraag van Wierzbicki aan Kieslowski hoe het nu gaat, gevolgd door herinneringen aan het maken van de film, fragmenten en bespiegelingen naar aanleiding van het thema. Zo bespreekt Kieslowski bij Dekalog zijn religieuze instelling (“ik heb zeer goede relaties met God. Soms vraag ik hem wat voor me te doen, en dan doet hij dat”) en bij Blind Chance zijn politieke engagement, dat hem zo vlak na Jaruzelski's uitroepen van de Staat van Beleg (1981), zeer belangrijk voorkwam; nu niet meer.

Kieslowski vertelt precies wat hij kwijt wil. Naar aanleiding van het moment dat Jerzy Stuhr als de amateurcineast (Amator, 1978) de camera op zichzelf richt, zegt de regisseur dat het onvermijdelijk is, als je verhalen wilt vertellen, de camera op jezelf te richten: “Ik heb dat altijd gedaan, maar op een indirecte manier, die ik nu niet wil uitleggen. Dat is mijn geheim”. Er moeten geheimen blijven, zoals de vraag of er een leven na de dood is. Hij beschouwt het niet als zijn vak om dingen te weten, maar juist om niet te weten.

Zeker wist Kieslowski slechts dat hij niets met Amerika te maken wilde hebben: “Leeg gepraat lijkt er het eerste levensdoel. En men is er tevreden met zichzelf. Als ik mijn Amerikaanse agent spreek, gaat het altijd extremely well. Niet goed, maar heel erg goed; met mij gaat het nooit beter dan so-so”.