Vaardige actrices vermakelijk in stuk van Houtappels

Voorstelling: Aan het eind van de aspergetijd, van Frank Houtappels. Spelers: Olga Zuiderhoek, Annet Malherbe, Nettie Blanken en Marjena Moll. Decor: Mirjam Grote Gansey. Regie: Mette Bouhuijs. Gezien: 14/3 in de Stadsschouwburg, Haarlem. Tournee t/m 6/6. Inl: 020-6264545.

Olga Zuiderhoek heeft een pruik op van kort, geblondeerd en krachtig naar achter gekamd haar en draagt een hardroze jakje, waarmee ze zonder enige twijfel de bazin is van de kapsalon. Met gepaste doortastendheid neemt ze het kapsel van haar zuster onder handen, een enigszins lijdzaam type met kwezelige praatjes over de schaarse berichten die ze van haar Foster-kinderen krijgt. De derde zuster verschijnt pas later, met een oranjerode coupe die ze heeft overgehouden aan een niet zo goed gelukte rol als Hannie Schaft. Die derde is actrice geworden en woont in de grote stad; de twee anderen zijn in hun Limburgse geboortedorp blijven wonen.

Met zijn komedie Aan het eind van de aspergetijd won de debuterende auteur Frank Houtappels anderhalf jaar geleden het Festival van het Ongespeelde Stuk. Nu wordt het gespeeld, en het blijkt inderdaad een vermakelijk vehikel voor drie vaardige comédiennes te zijn, plus één nogal reguliere blijspelrol voor de dochter van de mevrouw van de kapsalon.

Bekwaam schetst Houtappels de contouren van die vrouwen, met typerende zinnetjes en veel geëmmer over kleinigheden die het zicht op de werkelijkheid moeten verhullen. “Laat me nou eens uitpraten!” laat hij de in haar doktershuwelijk teleurgestelde zuster zeggen, en dan, na een korte pauze: “Ach nee, ik was al uitgepraat.”

De mooiste rol van allemaal is voor de bazin van de kapsalon. Haar man heeft zijn biezen gepakt, nadat zij hem in het echtelijk bed had betrapt met een jonge meid die óók nog de brutaliteit had de hond te aaien toen ze wegging. Nu heeft ze alleen haar dochter nog, en die wil ze vasthouden, hoe dan ook.

Als het meisje hoteldebotel blijkt te zijn van een Pool, die in het dorp is om asperges te steken, moet ze daar iets tegen doen. “Kind, sta niet zo te liegen,” roept ze, “dan lijk je zo op je vader.” En tegen haar zussen pocht ze intussen op de goede band met het kind: “Ze heeft geen vriendinnen nodig. Ik ben d'r beste vriendin.”

Olga Zuiderhoek maakt van die abrupte wendingen en die diep verstopte agressie een tragikomische creatie, die in alle scènes de aandacht onherroepelijk naar zich toe trekt. Terwijl het conflict tussen haar zussen (Nettie Blanken als de doktersvrouw, sidderend van de frustraties, en Annet Malherbe als de voyante actrice) langzaam maar zeker escaleert, loopt zij redderend heen en weer en probeert iets te bewaren van een lieve vrede die allang niet meer bestaat.

Veel heeft Houtappels in dit stuk niet te vertellen, en ook regisseur Mette Bouhuijs is er, zo te zien, niet op uit geweest deze vrouwen tot in de kern te ontleden. Maar dat hoeft ook niet; er is voldoende dat hen gaande houdt, en gelukkig speelt niemand opzettelijk dat dat ook grappig is.

Toen de voorstelling nog maar een minuut of vijf gaande was, keek ik al niet eens meer naar de goedkope, foeilelijke schotjes van vies oranje die het (overbodige) decor vormen. Dat kwam door de actrices die er vóór staan, en door wat ze tegen elkaar zeggen.