Tweedeling

Na mij een werkzaam leven lang in het voetspoor van Helmut Plessner, een van de grondleggers van de filosofische antropologie, teweer te hebben gesteld tegen de tweedeling van de werkelijkheid in innerlijk en uiterlijk, was het een verrassing in NRC HANDELSBLAD te lezen, dat ik een betoog had geschreven over 'de onmogelijkheid de tweedeling in innerlijk en uiterlijk te verenigen'. Ik zou dit hebben gedaan in een bijdrage aan en onder redactie van H.M. Kuitert gepubliceerde bundel, In stukken en brokken. Godsdienst en levensbeschouwing in een postmoderne tijd (gerecenseerd door Hendrik Spiering, 9-3-96).

Ik vermoed dat Spiering iets anders bedoelde dan 'de onmogelijkheid van een vereniging van de tweedeling in innerlijk en uiterlijk'. Hoe je een tweedeling zou kunnen verenigen is mij althans niet duidelijk. Hij zal de onmogelijkheid hebben bedoeld van een vereniging van innerlijk en uiterlijk. Welnu, een hoofdstelling van Plessners filosofie houdt in, dat alles wat in onze ervaring als een ding verschijnt is gekenmerkt door een vereniging van innerlijk en uiterlijk. Dat geldt zowel voor levenloze als voor levende dingen, voor planten, dieren en mensen, maar voor ieder van hen op een karakteristieke, eigen manier.

De stelling die ik in mijn bijdrage aan In stukken en brokken formuleerde, had betrekking op iets anders. Ik wees op de paradoxale feitelijke omstandigheid dat wij objectief wetenschappelijke kennis hebben verworven over ons doen en laten, maar dat die kennis ons subjectzijn van dat doen en laten niet kan opheffen. Wie zegt die prestatie te leveren, zoals de encyclopedisten uit het tijdperk van de Verlichting, is als degeen die bij het schrijven van zijn autobiografie zijn auteurschap daarvan ontkent.

Het belangrijkste bezwaar dat kleeft aan pogingen de dubbelzinnigheid van ons bestaan te ontkennen is, dat zij het zicht ontnemen op de historiciteit daarvan. Het wegsnijden van die cultuurhistorische dimensie van ons bestaan betekent voor mij als agnostisch humanist het verwijderen van de mogelijkheid van zin van dat bestaan. Die zin kan voor mij noch bestaan in een eeuwig leven na de dood, noch in een de geschiedenis beëindigende heilstoestand op aarde. De zin van mijn bestaan zie ik als de speurtocht naar zin die wij mensen ondernemen zonder het einde daarvan te kennen.

Spiering vindt mijn verhaal 'nogal wanhopig'. Ik beleef dat zelf heel anders. Misschien komt dat, omdat ik het antwoord naar de vragen over de zin van ons bestaan niet zoek in zoiets als een christelijke blijde boodschap of in een de geschiedenis eens en voor al afsluitend verhaal.