The American Way is aan een face-lift toe

SEYMOUR MARTIN LIPSET:

American Exceptionalism: A double-eyed sword

352 blz., W.W. Norton 1996, ƒ 62,85

Amerikaan ben je niet van geboorte, maar uit overtuiging. Met deze boodschap opent Seymour M. Lipset, een veel gelauwerde politiek socioloog, zijn jongste boek. De jeugd ervan is overigens betrekkelijk, zeker voor wie al eerder Lipsets The First New Nation (1963) heeft gelezen. Voor aspirant amerikanisten was dat boek destijds verplichte kost. Verschillen de Verenigde Staten wezenlijk van de rest van de wereld, en als er fundamentele verschillen bestaan, hoe kan Amerika dan tegelijkertijd de wereld voorhouden dat de enige rechte weg naar voorspoed en geluk The American Way is? Op dergelijke vragen probeerde Lipset een antwoord te geven toen hij nog jong (maar al zeer bezonnen) was, en nu onderneemt hij een tweede poging.

Niet alleen Lipset, ook de Verenigde Staten zijn in de tussenliggende jaren een stuk ouder geworden. Er dreigt daar een soort klaagcultuur te ontstaan. Van het eens spreekwoordelijke optimisme is slechts weinig over, politici deugen geen van allen en verkiezingen worden hoofdzakelijk gehouden om ervan weg te blijven, kortom, de Amerikaanse snelweg is toe aan een flinke opknapbeurt. Dat althans is de indruk die wij hier in Europa krijgen, al beseffen we terdege ook zelf op alle fronten tekort te schieten. Koene vaderlandse verslaggevers begeven zich naar het zogeheten Amerikaanse verkiezingscircus en verlaten de vertoning hoofdschuddend. Rare lui, die Amerikanen!

Rare lui

Maar rare lui waren ze net zo goed voor onze voorouders. De Fransen noemden Yankees bij voorkeur 'les grands enfants', een benaming die we in Nederland graag overnamen. Sommigen keken echter verder en dieper, met als beroemdste vertegenwoordiger Alexis de Tocqueville. Het debat over de mogelijke uitzonderlijkheid van de Verenigde Staten begint bij hem, bij De la démocratie en Amérique. Lipset is een bewonderaar van Tocqueville en citeert hem om begrijpelijke redenen herhaaldelijk. Tenslotte is Lipset gefascineerd door 'American exceptionalism' - om het bestaan ervan te bewijzen kan geen betere kroongetuige worden opgeroepen dan de Fransman.

Geboren uit een (burgerlijke) revolutie, niet belast met een feodaal verleden experimenteerde de jonge republiek naar hartelust met vrijheid en gelijkheid, schreef Tocqueville anderhalve eeuw geleden. Individualisme was een Amerikaanse uitvinding. De strikte scheiding van kerk en staat deed allerminst afbreuk aan het morele gehalte van de burgers. Bovendien bevorderen verenigingen van allerhande aard de sociale samenhang van de natie. Behalve licht was er natuurlijk schaduw: de publieke opinie had aan de overkant wellicht te veel invloed, het streven naar gelijkheid werkte conformiteit in de hand, iedereen leek gericht op het praktische en zeer aardse, tot vervelens toe. Tocqueville noteerde al deze en andere zaken zorgvuldig, aangezien hij - in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten - vermoedde dat Amerika niet Europa's achter- maar voorland was.

Zijn met vrees gemengde verwachting werd bewaarheid: het amerikanisme maakte aanspraak op universele geldigheid en zou steeds verder oprukken, eerst op het eigen continent, vervolgens overzee. De Amerikanen liepen met de borst vooruit en hulden zich opzichtig in de Stars & Stripes. Geheel tevreden of gerust waren ze desondanks nooit, want de praktische realisten bleken tevens utopisten. In het nationale credo was een hang naar volmaaktheid te vinden die onvermijdelijk tot ontgoocheling leidde. De fraaie idealen van Onafhankelijkheidsverklaring en Grondwet stonden op gespannen voet met de weerbarstige werkelijkheid - maar juist dat, het voortdurend pogen theorie en praktijk beter op elkaar af te stemmen, gaf de republiek haar bijzondere, zelfs unieke elan.

Vraagtekens

Amerika's uitzonderlijkheid is een dankbaar onderwerp van studie en speculatie. Hoe zinvol is het allemaal? In 1975 publiceerde de Amsterdamse hoogleraar Amerikanistiek A.N.J. den Hollander in de Internationale Spectator een boeiend stuk over de verschillen en overeenkomsten tussen Amerika en Europa. Den Hollander was bovenal een nuchter man en die nuchterheid bracht hem ertoe om zowel achter het idee van 'American exceptionalism' als achter de vermeende dreiging van het amerikanisme heel wat vraagtekens te zetten. Tenslotte waant elke natie zich uniek (Nederland niet uitgezonderd). Amerikaanse aanspraken op uitzonderlijkheid moesten daarom wel met een korrel zou worden genomen, schreef Den Hollander. De verschillen die tussen de Nieuwe Wereld en de Oude ontegenzeggelijk bestaan, kon men gemakkelijk overdrijven en misverstand was er al genoeg. Wij namen van de Verenigde Staten over wat in onze Europese kraam te pas kwam, al het andere gunden we de Amerikanen. Een van Den Hollanders conclusies luidde: “De neiging zich jegens Europeanen als iets zeer bijzonders te afficheren, is nu in Amerika bepaald geringer dan een halve eeuw geleden. Het land is in vele opzichten minder een 'Nieuwe Wereld' dan het eens was”.

Twintig jaar later kunnen wij op onze beurt achter deze bewering een vraagteken zetten. Want tussen hier en ginds lijkt soms eerder sprake van divergentie dan convergentie, om Den Hollanders terminologie te gebruiken. En Amerikanen die hun bijzonderheid afficheren zijn er nog steeds volop, voorop Seymour Lipset, Tocquevilles pupil.

In The First New Nation legde hij reeds uit dat het debat over 'exceptionalism' omstreeks de eeuwwisseling een extra stimulans uit linkse hoek kreeg door Werner Sombarts fameuze vraag waarom in de Verenigde Staten het socialisme nagenoeg ontbreekt. Aan de veelheid van verklaringen zou Lipset de zijne toevoegen, en in dit nieuwe werk gaat hij op herhalingsoefening. Maar de echte fut lijkt verdwenen, misschien niet in de laatste plaats doordat ook in Europa de rode vanen zijn opgeborgen en de oude strijdliederen nog alleen in het verzorgingstehuis zijn te horen. Als bewijs voor Amerika's uitzonderlijkheid voldoet het socialisme, of het ontbreken ervan nog slechts zeer ten dele. Lipset is echter niet voor één gat te vangen: amerikanisme is volgens hem in de meest letterlijke zin van het woord een ideologie; hij zegt anderen na dat Amerika geen ideologieën kent want er zelf een is. Dat hij deze ideologie hartelijk onderschrijft, daarvan maakt hij geen geheim. In de inleiding noemt hij zichzelf een 'proud American' om op de volgende bladzijden te onderstrepen dat hij met uitzonderlijk niet per se uitzonderlijk goed bedoelt.

Liever definieert hij het amerikanisme als een tweesnijdend zwaard: Amerika's deugden hebben de neiging - Tocqueville constateerde dat eveneens - om in hun tegendeel te verkeren. De ruimte die het individu in de Verenigde Staten van oudsher wordt geboden, heeft tot opwindend resultaat geleid; anderzijds vieren corruptie, hebzucht en egoïsme er evenzeer hoogtij. Het zwaard overwint en verwondt. Nergens is het contrast tussen overwinnaars en verliezers groter dan in Amerika, de self-made herkent zich in de self-unmade. Wie verliest wordt hard gestraft, omdat de Verenigde Staten een 'welfare laggard' zijn, de onwillige bruid van de verzorgingsstaat. In vergelijking met Europa zijn er geen sociale voorzieningen van betekenis. Wie het Amerikaanse credo bejubelt, is eveneens verplicht een klaagzang aan te heffen.

Maar die klaagzangen klinken volgens Lipset de laatste jaren veel te hard. Vooral de media blijken zonderling gefixeerd op slecht nieuws en omdat de Europeanen hun kennis van Amerika hoofdzakelijk ontlenen aan Amerikaanse bronnen, ontstaat allicht een geheel vertekend beeld. Lipset betreurt dat en stelt zich met zijn boek ten doel Europeanen én Amerikanen te corrigeren en moed in te spreken. Hij doet dat door met zijn gebruikelijke vaardigheid te goochelen met een geweldige hoeveelheid cijfers, statistieken en opiniepeilingen en komt uiteindelijk tot de bevinding dat verreweg de meeste Amerikanen het volste vertrouwen in de toekomst hebben, hun land de hemel in prijzen en, volgens Lipset terecht, verwachten dat ook de volgende eeuw een American Century zal worden. De suggestie dat het politiek bestel op springen staat wijst hij resoluut van de hand. Achterdocht en cynisme jegens politiek en politici is in Amerika van alle tijden, evenals de opvatting dat de bevoegdheden van de (federale) staat zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. Ook daarin blijft Amerika zich van Europa onderscheiden; de Republikeinen vormen naar Lipsets mening zelfs 'the most anti-statist major party in the West'.

Zwarte afvalligheid

Toch staan niet alle Amerikanen even huiverig tegenover een sturende, behulpzame overheid. In een tamelijk verdacht hoofdstuk zet Lipset de zwarte Amerikanen apart. Immers, in hun kring is een toenemende afvalligheid van het Amerikaanse credo te bespeuren, al was het slechts door hun voorkeur voor groepsrechten boven de beproefde rechten van het individu. Temidden van de uitzonderlijke Amerikanen vormen de Afrikaanse Amerikanen daarom een uitzondering.

Lipset lijkt te willen zeggen dat zij - door hun leunen op de staat - virtuele Europeanen zijn. In elk geval hebben de zwarte leiders er hun beroep van gemaakt, het lot van hun volgelingen veel somberder af te schilderen dan Lipsets cijfers toelaten. Het gaat hun juist verrassend goed, alleen: ze weigeren dat te beseffen. Uiteraard is deze analyse mede bedoeld voor Europese consumptie. Europeanen hebben tenslotte de vervelende gewoonte Amerika te beoordelen op zijn behandeling van de minderheden. Lipset leerde ons dat hier veel minder op aan te merken is dan wij gewoonlijk denken. Om dat argument extra kracht bij te zetten behandelt hij de opkomst van de joden in de Verenigde Staten welhaast lyrisch, een succesverhaal bij uitstek dat verteld wordt door 'a unique people in an exceptional country'.

Behalve de media zingen volgens Lipset ook veel Amerikaanse intellectuelen vals mee in het machtige koor van het amerikanisme, zeker op de elite-universiteiten. Daar zouden de kinderen van de jaren zestig zich hebben verschanst. Het zijn de laatste bolwerken van het marxisme en andere, zelfs in Europa achterhaalde bedenksels. Terwijl de conservatieve bourgeoisie heer en meester is in de economische sector, delen op de campus anti-establishmentarians de lakens uit, met de te verwachten bizarre gevolgen. Political Correctness is er een voorbeeld van, al past deze beweging naar de mening van Lipset toch ook weer in het zware moralisme van protestantse oorsprong, dat Amerika reeds ten tijde van Tocqueville kenmerkte. En ook bij het beklimmen van de academische ladder bewijzen Amerika's intellectuelen huns ondanks te behoren tot een maatschappij waar iedereen per se wil slagen, 'by fair means if possible and by foul means if necessary'.

Lipsets boek is zowel fair als foul en daarom uitzonderlijk Amerikaans: boeiend, irritant, betweterig en bijzonder breed van gebaar.