Teveel de eeuw van Rembrandt

H.M. BELIËN, A.Th. VAN DEURSEN, G.J. VAN SETTEN (red.):

Gestalten van de Gouden Eeuw. Een Hollands groepsportret

421 blz., geïll., Bert Bakker 1995, ƒ 69,50 (geb.), ƒ 49,50 (pb)

In 1694 verscheen in Amsterdam een ambitieus opgezet prentwerk, Het menselyk bedryf, vertoond in 100 verbeeldingen van ambachten. In honderd prenten schetsten de vervaardigers, vader en zoon Jan en Caspar Luyken, een natuurgetrouw beeld van het leven in een grote stad in de Republiek tijdens haar bloeitijd. De apotheker, in kamerjapon gekleed, roert op de stoep voor zijn winkel in een mysterieus borrelende pot; de schaatsenmaker legt in zijn werkplaats de laatste hand aan een paar fraaie doorlopers; de 'orloosimaker' buigt zich aandachtig over een uurwerk in een atelier vol klokken. Nog steeds verbazen de prentjes door hun trefzekerheid. Wie het werk doorbladert komt onwillekeurig tot de conclusie: ja, zó moet het er in een Hollandse stad in de zeventiende eeuw werkelijk hebben uitgezien.

Toch was het niet de bedoeling van vader en zoon Luyken het ambachtelijke en maatschappelijke leven in de Republiek zo nauwkeurig mogelijk voor het nageslacht vast te leggen. Hun werk paste in een oudere traditie, die de goddelijke ordening van het menselijk bedrijf symbolisch wilde weergeven. Al in 1568 hadden de Neurenbergse houtsnijder Jost Amman en de dichter Hans Sachs in een Eygentliche Bescheibung aller Staende auff Erden alle beroepen van hun tijd uitgebeeld. Ook bij vader en zoon Luyken kunnen we de prentjes uitsluitend in samenhang met de begeleidende moraliserende verzen begrijpen. Niet voor niets eindigt de serie, zowel bij Amman als bij de Luykens, met de doodgraver: 'Dit is het End van Klyn en Groot/ Daar wast geen Kruitie voor de Dood.'

Misschien dankzij, maar misschien ook wel ondanks, de brave rijmelarij, kende het werk van de Luykens een formidabel succes. De ene herdruk volgde op de andere. Tot in de negentiende eeuw werd het boek gedrukt. Toen werd de verwijzing naar een roemrijk verleden belangrijker dan de in de prentjes verpakte christelijke moraal.

Gestalten van de Gouden Eeuw van Beliën, Van Deursen en Van Setten (red.) is in veel opzichten een modern standenboek. Alleen de metafysische duiding ontbreekt. De samenstellers willen door middel van de beschrijving van een aantal maatschappelijke typen - voornamelijk beroepsbeoefenaars - een beeld oproepen van het sociale en culturele leven in de zeventiende-eeuwse Republiek. In die opzet zijn zij geslaagd. De behandeling van acht beroepen (regent, koopman, zeeman, dominee, soldaat, geleerde, schilder en boer), één geslacht (de vrouw), één toestand (de arme) en één liefhebberij (de literator), heeft geresulteerd in wat men wel kan beschouwen als een complete cultuurgeschiedenis van de Republiek in de zeventiende eeuw. Elk van de hoofdstukken behandelt veel meer dan een typetje. Achter 'de soldaat' (Zwitzer) gaat een verhandeling over het zeventiende-eeuwse krijgswezen en de organisatie van het Staatse leger schuil. In 'de geleerde' (Van Berkel) krijgt de lezer een boeiende verhandeling voorgeschoteld over de verhouding tussen het universitaire humanistische geleerdenideaal en de praktische wetenschap van vernuftelingen als Stevin en Leeuwenhoek. In 'de boer' vertelt Jan de Vries hoe de Hollandse boeren in de zeventiende eeuw door vergaande specialisatie en een rationeel investeringsgedrag eeuwen voorliepen op hun standgenoten elders in Europa. En in 'de literator' (Grootes) vinden wij een uiterst beknopte en knappe geschiedenis van de zeventiende-eeuwse literatuur.

Busken Huet

Het beeld dat ontstaat van de cultuur van de Gouden Eeuw wordt in hoge mate bepaald door de keuze van de behandelde groepen. Het is jammer dat de samenstellers zich bij die keuze wel heel erg hebben laten leiden door het traditionele beeld, dat we al kennen van schrijvers als Busken Huet en Huizinga. De zeventiende eeuw is voor de meesten nog steeds de eeuw van Rembrandt, Hals en Vermeer, van Vondel, Cats en Huygens, en van de scheepsjongens van Bontekoe. Het zijn in dit boek dus opnieuw de hoofdstukken over schilders, dichters en zeelui die het gezicht van de zeventiende eeuw bepalen. Iedere neiging tot het plaatsen van een contrapunt hebben de samenstellers blijkbaar resoluut onderdrukt. Dat is jammer, want hierdoor hebben zij de kans laten voorbijgaan het bestaande beeld te nuanceren en te verfijnen. Zo lezen we over de gereformeerde predikant, maar waarom nu eens niet over de katholieke geestelijke die in de semi-illegaliteit de mis opdroeg voor de omvangrijke katholieke minderheid? Een hoofdstuk over de Hollandse koopman mag in zo'n boek natuurlijk niet ontbreken, maar waarom geen aandacht besteed aan de - al dan niet in georganiseerd verband optredende - niet minder ondernemende crimineel? Een hoofdstuk over de vrouw - men kan zich zo'n boek niet zonder haar voorstellen - ontbreekt uiteraard niet, maar liever had ik eens iets over het kind gelezen. Het beeld van de handeldrijvende, de wereldzeeën bevarende, vechtende, schilderende en dichtende Hollander doet op de een of andere manier wonderlijk negentiende-eeuws aan.

Hebben de samenstellers dus weinig oog gehad voor het afwijkende, ook het alledaagse ontbreekt tot op zekere hoogte. Wat in het werk van vader en zoon Luyken en bij vele contemporaine schrijvers over de Republiek vooral opvalt, is de uitzonderlijk brede en welvarende middenstand van ambachtslieden en winkeliers. De ambachtelijke wereld van de schuiermaker en de zevenmaker, de gouddraadtrekker en de geelgieter, de pasteibakker en de suikerbakker, de grutter en de vettewarier, die wereld ontbreekt in dit boek. Toch moet het mogelijk zijn met behulp van deze beroepsgroepen een boeiend hoofdstuk te schrijven over de verloren gegane middenstandscultuur met zijn ambachtsgilden, rederijkerskamers en schuttersvendels.

Maar ondanks deze tekortkomingen is Gestalten van de Gouden Eeuw een mooi boek geworden. Dat komt niet in de laatste plaats doordat de samenstellers erin geslaagd zijn voor elk hoofdstuk de meest deskundige auteurs aan te trekken. Wie zich op de hoogte wil stellen van het maatschappelijke en culturele leven in een tijd waarin Nederland internationaal nog groot aanzien had, zal er zeker plezier aan beleven.