Rotterdam wordt al maanden niet meer bestuurd; Een cultuur van hinderlagen

Ooit beschouwd als de best bestuurde stad van Nederland, is Rotterdam nu de kneus van het peloton. B en W rollen ruziemakend over de Coolsingel. Met een denker/strateeg, annex 'onbehouwen mompelaar' als burgemeester en twee gefrustreerde ex-Haagse politici als wethouders. Het sprookje van Bram en de Twee Hansen.

Twee dagen geleden vloog de vertrekkende wethouder René Smit per helikopter over de haven van Rotterdam, met een delegatie van de Europese investeringsbank. Onder hen de raffinaderijen, de opslagtanks, de supertankers, de containervelden en de robothijskranen. “Waarom moest ik hier afscheid van nemen”, mijmert Smit. “Maar dan denk ik weer aan die oeverloze vergaderingen op het stadhuis. Het soebatten over elke punt en komma. Al dat politieke gedoe, die ingewikkeldheden die tot niets leiden. En dan zeg ik: blij dat ik wat anders kan doen.”

Smit (CDA) heeft zichzelf drie weken geleden uit het college van B en W losgesneden uit teleurstelling over het afblazen van de stadsprovincie Rotterdam. Sindsdien strompelen de coalitiepartners voort. Van verzoenende brief naar afwijzend telefoontje. Van gezamenlijk overleg naar achterkamertjesberaad. In een sfeer van volstrekt onderling wantrouwen maakt men zich op voor nog twee jaar stadsbestuur.

De recente onmin met het CDA is het jongste bedrijf in een treurspel dat zich nu al twee jaar aan de Coolsingel afspeelt. Met in de hoofdrollen burgemeester Peper en de PvdA-wethouders Simons en Kombrink en met volledig verziekte verhoudingen in de raad.

Bram Peper is moederziel alleen in het stadhuis. Smit, zijn enige vriend in het college, zal niet meer terugkeren. Een andere potentiële bondgenoot, de VVD'er Van den Muijsenberg houdt zich, gewoontegetrouw, muisstil. De wethouders Den Oudendammer (D66) en Meijer (GroenLinks) gaan, als puntje bij paaltje komt, mee met de wethouders Simons en Kombrink, Pepers aartsvijanden en partijgenoten. De burgemeester is wanhopig op zoek naar medestanders. Binnen of buiten het stadhuis - dat lijkt hem in deze worsteling niet veel meer uit te maken.

Terwijl Simons dapper blijft beweren dat “deze stad heel degelijk bestuurd wordt, al zijn we niet de grootste vrienden” en Kombrink zegt dat “er in het hele jaar 1995 geen ruzie meer binnen het college is geweest”, zijn de meeste betrokkenen het erover eens dat Rotterdam bestuurlijk nog geen deuk in een pakje boter kan slaan. Het vriendelijkste wat een PvdA'er weet uit te brengen: “Op onderdelen wordt er nog wel bestuurd.” Peter Aubert, de ex-fractieleider van de PvdA, die vorig jaar aftrad na een conflict met Simons, is minder optimistisch: “Ze vertrouwen elkaar gewoon niet.” En aan de zijlijn kijken de buurgemeenten, het Rotterdamse bedrijfsleven en de Partij van de Arbeid machteloos toe. Commissaris van de koningin J.M. Leemhuis van Zuid-Holland maakt zich zo bezorgd dat ze volgende week door de vijf fractieleiders van de coalititiepartijen persoonlijk op de hoogte wil worden gesteld van de situatie.

“Wat een leed.” In zijn werkkamer aan de Amstel voelt de Amsterdamse burgemeester Schelto Patijn met Rotterdam mee. “Het is leed zonder leedvermaak. Het had Amsterdam ook kunnen overkomen”, denkt hij. “Na het referendum van vorig jaar over de stadsprovincie.” Maar het is Amsterdam niet overkomen. Terwijl de coalitiepartijen in Rotterdam elkaar vanuit hun bunkers in het stadhuis met verwijten en ultimatums bestoken, zitten in de kamer naast Patijn alle Amsterdamse fractievoorzitters te keuvelen tot de burgemeester zich bij hen voegt voor de lunch.

Imago

Nog niet eens zo heel lang geleden leek Rotterdam de best bestuurde stad in Nederland. Terwijl de andere drie grote steden zaten te tobben met de financiën of de politieke verhoudingen, stoomden burgemeester en wethouders aan de Coolsingel van het ene grote plan naar het volgende. Stadsvernieuwing? Sociale vernieuwing? Grote stedenbeleid? In Rotterdam uitgedacht en energiek uitgevoerd.

'Het nieuwe Rotterdam' was een visie waarmee de bestuurders van vorige colleges de stad aanzien gaven. Zowel voor de bevolking als voor de buitenwacht. En het was zichtbaar: de skyline van Rotterdam werd volgezet met opmerkelijke gebouwen. Terwijl in Amsterdam het prestigeproject aan de IJ-oevers ten onder ging, bouwde Rotterdam de Kop van Zuid. Het imago 'Rotterdam werkt' glom als nooit tevoren.

In die tijd vormden wethouders en burgemeester teams, gedomineerd door de PvdA. Het bestuur was de belangrijkste politieke kracht in de stad. “Wij bedachten, besloten en voerden uit”, vat een van de belangrijke PvdA-wethouders, Pim Vermeulen, het samen. “We waren geen dikke vrienden, we kwamen niet bij elkaar over de vloer, maar we gingen collegiaal met elkaar om.”

Met name Pim Vermeulen en Joop Linthorst hoefden niet alles tot in details te hebben geregeld voor ze een besluit namen. Ze kozen de richting en zetten het proces in gang. Daarbij wisten ze de sterke kanten van burgemeester Bram Peper te benutten en zijn zwakke kanten te compenseren, aldus toenmalig directeur algemene bestuurszaken Anne Flierman. “Dat is met de komst van dit nieuwe college dramatisch veranderd.”

De slechte voortekenen waren er al voordat het nieuwe college aantrad. Het verkiezingsjaar 1994 beloofde bepaald niet florissant te worden voor de partij die de Rotterdamse politiek al sinds 1945 overheerst, de PvdA. Wat de Amsterdamse partijgenoten bij de verkiezingen van 1990 moesten verwerken - een decimering van het aantal raadszetels - dreigde hier vier jaar later. De verwachting was des te somberder daar de lokale krachtfiguren Linthorst en Vermeulen niet meer op de PvdA-kandidatenlijst wilden.

In de campagne was een nieuw zwaargewicht nodig, met bestuurlijke capaciteiten. Binnen de Rotterdamse PvdA was het talent dun gezaaid. Aanvankelijk werd gedacht aan oud-havenwethouder Roel den Dunnen, maar die wilde zijn nieuwe baan als topambtenaar in Den Haag niet opgeven. In samenspraak met partijvoorzitter Rottenberg werd de toenmalige staatssecretaris volksgezondheid Hans Simons benaderd. Die had lange ervaring in Rotterdam, als fractievoorzitter en wethouder in de 'gouden' jaren, en mocht als zware kandidaat worden beschouwd. In het taalgebruik van 1993 heette dat een 'kwalitatieve impuls'. Peper jubelde in de media: “Hans Simons zou een ideale lijsttrekker zijn. De partij heeft een coryfee nodig of een totaal nieuw gezicht om te voorkomen dat de PvdA verder in het slop raakt.”

Binnenskamers koesterden vele PvdA'ers bedenkingen. Als staatssecretaris was Simons in het kabinet Lubbers/Kok hopeloos verstrikt geraakt in de ziektekostenverzekering. Zijn plan-Simons geldt als een legendarische mislukking en de bedenker ervan zag plotseling louter tegenstanders om zich heen. “Het was niet dezelfde Simons die naar de Coolsingel terugkwam”, zegt topambtenaar Flierman. “Hij was beschadigd geraakt in Den Haag en op die wijze spraken ambtenaren en bestuurders in Rotterdam ook over hem.” Zo ontstond het idee dat Simons in de stad was geparachuteerd.

De bedoeling van Peper en de lokale PvdA was dat Simons' running mate de zittende wethouder Edit Hallensleben zou worden. Zij had een stevig netwerk in de partij en kon zo het imago van Simons als weggepromoveerde Hagenaar compenseren. Simons verraste echter iedereen door te eisen dat hij een 'maatje' mocht meebrengen: Hans Kombrink moest de tweede man op de lijst worden. “Daar moest ik wel een nachtje over slapen”, zegt toenmalig PvdA-voorzitter in Rotterdam, Chris van Hoeve.

Pluchen regenten

Kombrink is een verhaal apart in Rotterdam. Bij de raadsverkiezingen van 1990 was hij, ook al een landelijke coryfee, door het bestuur van de plaatselijke PvdA hoog op de lijst gezet zodat hij wethouder kon worden. De ledenvergadering gunde hem echter niet meer dan de zevende plaats, achter Hallensleben. “Daar vielen bloedspatten”, volgens Vermeulen, die toen lijsttrekker was. Kombrink trok zich beledigd terug. Ook daarna kreeg hij het niet gemakkelijk. Bij de formatie van het kabinet-Lubbers-Kok begeerde hij het staatssecretariaat van Financiën. Hij kreeg Europese Zaken aangeboden, maar weigerde die functie. Ten slotte werd hij directeur-generaal op het ministerie van defensie.

Beide PvdA-coryfeeën kwamen dus 'gedesillusioneerd' en 'vol frustraties' terug in Rotterdam, concludeert de lokale VVD-voorzitter Anneke van Leeuwen. De campagne voor de verkiezingen maakte de stemming niet zonniger. Partijvoorzitter Rottenberg dirigeerde de lijsttrekkers in de grote steden naar de markten, de clubhuizen en de volkskroegen. Het beeld van de pluchen PvdA-regenten moest worden weggenomen.

De beide Hansen werden overal uitgescholden. Een symbolisch moment uit de campagne: de televisieuitzending waarin Simons en Kombrink met bezems een pleintje trachten schoon te vegen bij windkracht zeven. Hoe ze ook veegden, de papiertjes, takken en stofwolken woeien steeds terug. De PvdA eindigde op 12 zetels - de helft van het aantal van 1986. Alleen Simons en Kombrink konden wethouder worden. Ze moesten het college delen met CDA, D66, GroenLinks en VVD. “Vijf partijen die allemaal behoefte hebben aan eigen profilering, dat kan veel tijd kosten”, aldus Kombrink.

De raad van 1994 weerspiegelde het vergruisde politieke spectrum. De coalitiepartijen zochten elkaar op om niet door een belangrijke nieuwe factor in de lokale politiek tegen elkaar te worden uitgespeeld. Want wat Rottenberg had gevreesd, was waar geworden: de markten, clubhuizen en volkskroegen waren het domein van extreem-rechts geworden. CD en CP'86 kwamen met samen 6 leden in een raad van 45 zetels. En aan de linkerzijde kwamen linkse 'tegenpartijen' op: SP, Solidair '93 en de Stadspartij. Voor VVD-fractieleider Ter Kuile een ware cultuurschok. “Dat doet maar alsof het hier de Tweede Kamer is. Ze zijn overal tegen. Terwijl je als raad gezamenlijk de stad bestuurt.”

Er moest een breed college komen, daarover was men het eens. Om een vuist te maken tegen extreem-rechts en om de metamorfose naar stadsprovincie mogelijk te maken. “Het is mooi, slogans als: 'met z'n allen optrekken' en zo. Maar zoiets gaat tegen je werken, als je het eigenlijk niet eens bent over de vraag in welke richting,” zegt oud-fractieleider Aubert.

En de beide Hansen bleken niet erg goed in het scheppen van een enthousiaste sfeer. Ter Kuile krijgt een twinkeling in haar ogen als ze terugdenkt aan Pim Vermeulen en het vorige college van B en W, al heeft ze zojuist gewaarschuwd tegen overdreven nostalgie 'naar de tijden van Pim en Joop': “Door Pim dachten we in 1990 echt van: dit is het beste college met het mooiste programma dat Rotterdam ooit heeft gehad. Hij zorgde voor een sfeer van: dit doen we samen. Bij Simons ging het in 1994 steeds met van die papieren waar wij dan weer aan moesten schaven. En dan weer een stuk, en weer een stuk.”

Toen het college er na moeizame onderhandelingen eindelijk was, bleken de Hansen een nieuwe politieke cultuur naar Rotterdam te brengen. “Kombrink is Breznjev aan de Maas”, zegt een PvdA-insider. “Een centralistisch denkend type, die nog leeft in de politieke cultuur van de jaren zeventig. Als hij een ruimte binnenkomt, zuigt hij alle lucht weg.”

Anderen zeggen het wat milder, maar de portée blijft dezelfde. “Vroeger was er een ideetje. Daar praatte je dan over in de raadscommissie. Dat ging dan naar het college. Die kwam dan met een voorstel. Je had het gevoel dat je meedeed”, zegt raadslid Peter Aubert. “Nu moet alles voorgekookt worden in het college van B en W, wordt daar alles tot de komma uitgespijkerd. Als je in de raad dan nog een kanttekening plaatst, heb je een conflict met je wethouder.” Kombrink betoonde zich een groot liefhebber van besloten commissievergaderingen: onderwerpen bleken al snel te 'gevoelig' voor de openbaarheid.

Kombrink, Simons en Peper kennen elkaar al 25 jaar. In de jaren zeventig bestormden ze de partij. De academisch geschoolde en geëngageerde jeugd moest het stof uit de sociaaldemocratische kaders blazen. Peper heet een 'briljant strateeg' en een 'razendsnel analytisch denker' te zijn. Maar hij is ook een 'onbehouwen' mompelaar die niet tegen zijn verlies kan en de tactiek van het straatgevecht kiest als iemand hem tegenwerkt. Zijn lange ambtsperiode sinds 1982 kende diepe dalen. In 1993 is in alle partijen 'actief' gediscussieerd over de vraag of Peper nog eens moest worden herbenoemd, aldus VVD-voorzitter Van Leeuwen. Uiteindelijk kreeg de herbenoeming steun van alle partijen.

Ruzies met de raad, waarbij Peper vaak door zijn politieke vrienden Vermeulen en Linthorst werd afgedekt. En ook Simons heeft als staatssecretaris nog ten gunste van Peper bemiddeld in een conflict met de PvdA, aldus Flierman. “Hoe de dingen kunnen veranderen”, zegt de lokale PvdA-voorzitter Dick van Dongen.

Tussen Kombrink en Peper heeft het nooit geboterd. De een denkt in structuren, wil alles in de hand hebben, controleren, tot in de puntjes voorbereiden. Peper denkt daarentegen strategisch, is niet te beroerd een crisis te ontketenen als hij daar voordeel uit kan halen. Schelto Patijn herinnert zich zo'n partij 'bestuurlijk bandstoten' van Bram Peper. Begin 1992, toen Patijn nog commissaris der koningin in Zuid-Holland was, saboteerde hij naar Pepers mening de stadsprovincie Rotterdam. “We kregen geweldige ruzie. Dat ik helemaal achterlijk was! Je weet hoe fijnzinnig Bram kan zijn”, zegt Patijn nu gelaten. In werkelijkheid, zegt Anne Flierman, die bij de regiovorming nauw betrokken was, probeerde Peper over het hoofd van Patijn, het ministerie van binnenlandse zaken in beweging te krijgen en aan zijn kant te scharen. Het lukte en Rotterdam mocht aan de stadsprovincie gaan werken. Op soortgelijke wijze schiep hij bij de ontruiming van Perron Nul, in de woorden van bestuurskundige Uri Rosenthal, een 'zelfopgelegde crisis' opdat de spelers in deze atmosfeer harder zouden lopen.

Dat het nieuwe vijf-partijencollege niet de slagvaardigheid had van zijn voorgangers, bleek al toen het drie weken nodig had om een loco-burgemeester te kiezen. Normaliter wordt dat op de eerste zitting geregeld omdat het op basis van anciënniteit gaat. Als langstzittende wethouder kwam Smit daarvoor in aanmerking. Maar Simons claimde de post met een beroep op zijn wethoudersperiode in de jaren tachtig. Na drie weken gaf men Simons zijn zin. “Ik ben een bescheiden mens”, zegt Smit nu. “Vandaar dat het drie weken duurde”, commentarieert Simons ironisch.

Spoedig werd ook de breuk tussen de burgemeester en de Hansen manifest. “Het probleem is dat ze Bram vanaf het begin als een bedreiging zagen”, zegt VVD-fractieleider Ter Kuile. “Ze hebben niet nagedacht hoe ze zijn talenten konden gebruiken.” Hun voorgangers wisten daar beter mee om te gaan. “Als Linthorst iets moois had bedacht, stapte hij naar Bram en zei: 'Bram, hoe gaan we dit aanpakken?' En dan zette Bram zijn volle gewicht erin”, zegt Flierman.

“Het eerste half jaar zijn er conflicten geweest in het college”, geeft Kombrink toe. Maar hij voegt eraan toe: “We hebben in 1995 geen een echte ruzie gehad.” Die van 1994 waren al destructief genoeg. Zo lichtte Kombrink Peper niet in toen hij poogde het kabinet te winnen voor het plan Rotterdam culturele hoofdstad van Europa te maken in 2001. Peper hield zich daarop buiten deze lobby. Volgens bronnen dichtbij de burgemeester raakte Peper ervan overtuigd dat Kombrink hem liet struikelen over de kwestie van de nieuwe ambtswoning, die eind dat jaar tot grote consternatie in de raad leidde. Simons trachtte als wethouder 'veiligheid' delen van Pepers' portefeuille over te nemen, wat leidde tot de rampdag op 14 september 1994, toen de wethouders Simons en Den Oudendammer en burgemeester Peper volstrekt tegengestelde uitspraken deden over de toekomst van de gedoogzone Perron Nul. Peper kreeg dit 'moeilijke dossier' tenslotte in de schoot geworpen, met alle risico's van dien. In de latere evaluatie sprak Rosenthal van 'strategische beleidsontwijking' door wethouder Simons.

Een dieptepunt werd bereikt toen zes leden van de PvdA-fractie in augustus 1995 een motie van afkeuring tegen Peper ondertekenden naar aanleiding van diens optreden rond Perron Nul. Aubert werd door Simons daarna op een zijspoor gedirigeerd. De Hansen hadden de fractie in de hand kunnen houden. Als ze dat hadden gewild.

Van Peper wordt sinds begin vorig jaar weinig meer vernomen. Hij lijkt ervan overtuigd dat Kombrink en Simons alle moeite doen om hem ten val te brengen. Sterker: dat Hans Simons er in 1994 op uit is geweest om zelf burgemeester van Rotterdam te worden. Dat wordt bevestigd door verschillende bronnen binnen het stadhuis en het college van B en W. Terwijl de worsteling rond de ambtswoning en Perron Nul nog in volle gang was, vroeg Simons in het voorjaar van 1995 een gesprek aan met premier Kok. De wethouder wil over de inhoud van dat gesprek “principieel geen uitspraken doen”, maar dat het over het ontslag van Peper ging, ontkent hij met kracht. Kringen rond Peper zeggen dat het daar wel degelijk over ging, en dat de premier de burgemeester daarover later geïnformeerd heeft.

Referendum

Alle problemen kwamen uiteindelijk samen bij de ondergang van de stadsprovincie Rotterdam, nog zo'n visionair plan uit de gouden jaren. Burgemeester Peper beschouwde het als zijn kindje, zegt toenmalig PvdA-fractievoorzitter Jan Janse. “Dat hebben ze hem nu afgepakt.”

De stadsprovincie was het leidmotief in het programmakkoord van het college. Nog voor het eind van deze raadsperiode zou Rotterdam in tien stukken worden opgedeeld en fuseren met de buurgemeenten. Belangrijke taken zouden geleidelijk worden afgestoten naar de deelgemeenten. Het ambtelijke apparaat stond voor een ingrijpende reorganisaties. Het college van B en W zag zichzelf eigenlijk als een 'sterfhuis'. Daarom dacht men ook wel toe te kunnen met zes wethouders in plaats van negen, waarmee het vorige college was begonnen. Bestuur, politiek, bedrijfsleven, buurgemeente, de provincie Zuid-Holland (“Wat konden we anders”, zegt Patijn) en zelfs het Rijk wilden de stadsprovincie. Wat kon er nog misgaan?

Toen Flierman nog secretaris was van het Overleg Orgaan Rijnmond, de voorloper van de huidige regioraad, bracht hij een werkbezoek aan Canada. De delegatie sprak op het Canadian Urban Institute met prof. Richard Gilbert. Die was onder de indruk van het Rotterdamse regio-model. “Rational, logic, brilliant.” Gestreeld nam de delegatie afscheid. De professor tikte Flierman bij het vertrek nog even op de schouder: “Do you people know referenda in Holland?” Nee, zei Flierman, dat kennen we niet. “Lucky people.”

Twee jaar later, in juni 1995, hoonde de bevolking de stadsprovincie Rotterdam weg in een referendum. 86 procent van de kiezers stemt tegen de regionale samenwerking, maar vooral tegen de opsplitsing van de stad. Wat was er gebeurd? Burgemeester R. Jansen (D66) van Krimpen aan den IJssel kan zijn woede niet verbergen. “De stadsprovincie is welbewust om zeep geholpen door de twee Hansen.” Portefeuillehouder regiozaken Kombrink, die naar eigen zeggen 'zakelijk kritisch' ten opzichte van het idee stond, heeft volgens Jansen de boel gesaboteerd. Kombrink is daar furieus over en vraagt zich af of hij Jansen nog als reële gesprekspartner kan beschouwen. “Hij stelt mijn integriteit ter discussie. Terwijl ik de campagne voor het referendum bijna alleen heb moeten voeren.”

In de hele regio worden complottheorieën ontwikkeld. Kombrink zou bewust het referendum hebben misbruikt om de stadsprovincie om zeep te helpen. Dat hij de stadsprovincie tot de laatste dag verdedigde, imponeert de aanhangers niet. “Kombrink kan elk standpunt verdedigen, of hij er nou in gelooft of niet”, weet een prominente PvdA'er.

Bij de regiobestuurders is de indruk blijven hangen dat Kombrink van meet af aan de sfeer drukte. Waarom stelde Kombrink in het overleg met de buurgemeenten weer allerlei afgehandelde punten ter discussie? Waarom weigerde hij hearings te organiseren? En kwam hij binnen het regiobestuur niet al vroeg in aanvaring met Peper, die Kombrink ronduit vroeg of hij die stadsprovincie eigenlijk wel wilde. Hans Simons, die zegt dat met Kombrink en Peper te hebben besproken, denkt dat de 'zakelijke houding' van Kombrink slecht overkwam. “Maar we moesten echt nog wat puntjes op de i zetten.”

Havenwethouder René Smit heeft zijn bedenkingen. “Met het referendum is iets heel merkwaardigs gebeurd. Dat was een speeltje van D66, de PvdA liep daar nooit warm voor. Maar plotseling waren de Hansen eind 1994 helemaal bekeerd. Er was niet rationeel meer mee te praten, ze klonken volstrekt ideologisch. Dat referendum moest en zou er komen.”

Kombrink ontkent ooit enthousiast te zijn geweest over het referendum. “In het college heb ik me van stemming onthouden. Maar we konden er in november niet onderuit. Amsterdam ging stemmen over opdeling, dan was het electoraal vernietigend geweest als Rotterdam zijn burgers geen kans had gegeven zich uit te spreken.”

Ach, de PvdA krijgt altijd overal de schuld van in Rotterdam, zegt afdelingsvoorzitter D. van Dongen. En zijn voorganger, Chris van Hoeve vat het maar als een compliment op: “Waren we maar in staat tot zulke mooie strategieën.” In deze sfeer van complotten worstelt het college verder. De vijf partijen hebben net weer twee weken tijd gevraagd om een college-akkoord te maken. “Misschien kunnen een paar nieuwe wethouders het college wat Schwung geven”, zegt Ter Kuile van de