Rampenscenario verlamt Spaanse beurzen; 'Nieuwe verkiezingen zou de economie van dit land niet kunnen verdragen'

MADRID, 16 MAART. Deze week was er even paniek in politieke kringen in Spanje. De Catalaanse regio-presdident Jordi Pujol, die als leider van de Catalaanse nationalistische partij CiU een sleutelrol vervult in het vormen van een nieuwe regering, was woensdagavond plotseling zoek. Pujol werd door een opgewonden menigte journalisten teruggevonden voor de poort van Spanjes centrale bank. Daar verklaarde de Catalaanse leider dat hij persoonlijk van de gouverneur van de centrale bank, Luis Angel Rojo, wilde horen hoe de economische situatie van het land er op dit moment bijstaat. En in hoeverre Spanje er in zal slagen om de convergentie-criteria voor de gemeenschappelijke Europese munt tijdig te bereiken.

Dat Pujol op de stoep van de centrale bank werd teruggevonden mag symbolisch heten, want de Catalaanse regio-president en bankgouverneur Rojo bepalen na de verkiezingen, die twee weken geleden werden gehouden, meer dan ooit de toekomst van Spanjes financieel-economische markten. Rojo, een enigszins flegmatieke verschijning die twee jaar geleden de wegens frauduleuze knoeipartijen ontslagen Mariano Rubio opvolgde, verlaagde deze week het belangrijkste geldmarkt-tarief van de centrale bank met een half punt tot 8,25 procent. De langverwachte verlaging was uitgesteld, nadat Spanjes conservatieve Partido Popular tegen alle voorspellingen in er niet in was geslaagd om bij de verkiezingen de voldoende meerderheid te behalen om een regering te vormen.

Na veertien jaar regering onder kabinetten van de socialist Felipe González is Spanje in een politiek vacuum terechtgekomen, waar de markt tot dusver enigszins ongemakkelijk op reageerde. De dag na de verkiezingen maakte de aandelenkoersen in Madrid een recordduik van vijf procent. De Spaanse staatsobligaties moesten eveneens terrein prijsgeven. Sindsdien wachten de markten geduldig, maar gespannen af op wat komen gaat.

Van belang is daarbij vooral of de Catalaans-nationalistische partij van Pujol overstag zal gaan om op een of andere wijze een regering te steunen van de PP van Aznar. Wanneer een pact tussen de Catalaanse nationalisten en de PP faalt is Spanje praktisch onregeerbaar en wordt het onvermijdelijk dat er nieuwe verkiezingen uitgeschreven worden voor na de zomer. Een nachtmerrie-scenario, niet in de laatste plaats voor de ondernemers in Catalonië, de regio die geldt als de economische motor van Spanje. “Nieuwe verkiezingen kan de economie van dit land niet verdragen”, zo verklaarde deze week een Catalaanse werkgever. “Een dergelijke instabiliteit schrikt buitenlandse kapitaalverstrekkers af. We kunnen dan definitief vergeten dat we bij de kopgroep in de gezamenlijk Europese munt komen te zitten.”

Het tijdig vervullen van de convergentie-criteria voor de Europese economische en monetaire unie (EMU) vormt, samen met de aanpak van Spanjes hoge werkloosheid, de grote uitdaging waar een nieuwe regering voor komt te staan. Kwesties die overigens ook hoog op het prioriteiten-lijstje van de scheidende regering González stonden. De sociaal-demcraat González ontwikkelde zijn PSOE tot een centrum-linkse, pragmatische partij en het financiële beleid was daarmee zeker niet in tegenspraak.

Onder leiding van minister van financiën Pedro Solbes, een technocraat zonder al te grote partijbinding, werd een ambitieus programma uitgevoerd. De regering slaagde er volgens de laatste cijfers in de inflatie terug te dringen tot 3,7 procent, een absoluut record dat aangeeft dat Spanje een aardig eind op weg is in de richting van het convergentie-criterium. Er waren meer successen: het overheidstekort schommelt rond de 5,9 procent, terwijl de publieke schuld volgens de cijfers slechts rond de 64 procent zou bedragen. De EMU-criteria liggen op respectievelijk 3 en 60 procent.

Vraagtekens bij het statistisch materiaal zijn er overigens genoeg. Zo publiceerde de Spaanse Rekenkamer in september vorig jaar een naberekening voor het jaar 1992 waarin het overheidstekort meer dan het dubbele bedroeg van de cijfers die de regering publiceerde. Een woedende Solbes verklaarde het verschil uit de berekeningsmethode. Toch blijft de indruk hangen dat het cijfermateriaal niet een altijd even adaquaat beeld geeft van de situatie. Met name door de politiek van financiële decentralisatie over Spanjes zeventien regio's is het zicht op een niet onbelangrijk deel van de publieke schuld enigszins verloren gegaan.

Niettemin: eind dit jaar zouden de cijfers via het bezuinigingsprogramma van de regering González verder in de pas moeten lopen met de convergentiecriteria. “Hoe je het ook wendt of keert: Solbes heeft een nieuw optimisme gecreëerd”, meent een Spaanse econoom, “Het laatste jaar ontstond het idee dat we bij de kopgroep van Europa kunnen horen.”

Dat dit laatste nu staat op het spel in de huidige politieke onrust mag ironisch heten, omdat er tussen de centrum-conservatieven van Aznar en de catalaanse nationalisten van Pujol opmerkelijk weinig verschil van mening bestaat over de te voeren financieel-economische politiek. Maastricht maakt ook in Spanje de beleidsmarges klein: beide partijen willen het overheidstekort terugdringen door bezuinigingen op budgetten, inkrimping van het aantal ambtenaren en een voortzetting van het privatiseringsprogramma dat onder González van start is gegaan. Beiden zien zelfs ruimte voor belastingverlaging om Spanjes traag op gang komende economie een nieuwe impuls te geven.

De Partido Popular ging daarbij het verst. Lijsttrekker Aznar propageerde gedurende de verkiezingscampagne zelfs het terugdringen van het hoogste tarief voor de inkomstenbelasting tot veertig procent. Strengere aanpak van de belastingontduiking en -fraude zou volgens Aznar - zelf een voormalig belastinginspecteur - hiervoor de financiële ruimte kunnen scheppen.

Belastingverlaging wordt door de mogelijk coalitiepartners gezien als een methode om de particuliere consumptie en bedrijfsinvesteringen aan te zwengelen. Met name de achterblijvende consumptie drukt in Spanje de economische groei. Het is niet moeilijk om de geringere bestedingsdrift in Spanje op te merken: er wordt de laatste jaren aanmerkelijk minder uitgegaan, de verkoop van auto's en andere duurzame consumptiegoederen blijft achter, taxi-chauffeurs klagen over tegenvallende klandizie en de bars en restaurants zijn aanmerkelijk minder vol.

Het stimuleren van de consumptie zou volgens Aznar eveneens een oplossing moeten bieden voor de werkloosheid, die tot de hoogste in Europa behoort. Met een werkloosheid die volgens de registers van het arbeidsbureau 15,4 procent bedraagt en volgens andere meetmethodes zelfs de 22 procent ruim overstijgt, wordt het gebrek aan werk als Spanjes grootste sociale probleem beschouwd.

Het beleid van González om het nog uit de Franco-tijd daterende systeem van rigide arbeidscontracten en peperdure ontslagregelingen te hervormen heeft tot dusver niet het resultaat opgeleverd dat ervan verwacht werd. Wel werkt inmiddels 35 procent van de beroepsbevolking op basis van een losser deeltijd-contract. Maar uit de cijfers van Spanjes arbeidsbureau blijkt dat werknemers sneller werk krijgen en ook weer verliezen, maar dat de werkgelegenheid als zodanig niet is aangetrokken. De onzekerheid die dat vooruitzicht met zich meebrengt heeft weer een remmend effect op de bestedingen heeft, zo is de indruk.

Zowel de aanhang van Aznar als van Pujol is dan ook voorstander van het invoeren van fiscale bonussen voor ondernemers die garanderen dat hun werknemers zonder vast arbeidscontract voor langere tijd in dienst worden genomen. Daarnaast heeft vooral de Partido Popular gedurende de verkiezingscampagne gehamerd op een sociaal pact met werkgevers en werknemers. Daarbij zouden naast een verdere flexibilisering van de arbeidsmarkt ook zaken als loonmatiging, nieuwe contracten voor jongeren en langdurig werklozen en vermindering van de werkgeverspremies aan de orde moeten komen.

De hervorming van de arbeidsmarkt leidde al eerder tot een felle twist tussen de socialisten en de vakbonden, compleet met een massale staking. González hield voet bij stuk en won de strijd. Hoewel een sociaal akkoord uitbleef, was de sociale onrust eveneens beperkt.

De vraag is of dit onder Aznar hetzelfde zal blijven. Ondanks al het wapengekletter stemmen de bonden in Spanje al jaren in met een politiek van loonmatiging. Volgens cijfers van Europese commissie zijn de salarissen in reële koopkracht de laatste vijftien jaar ver achtergebleven bij de gestegen produktiviteit. De conservatieve partijleider verraste vriend en vijand door de leider van de communistische vakcentrale, Antonio Gutiérrez, op het grote partijcongres van de PP voor de verkiezingen uit te nodigen. De dag na de verkiezingen, zo beloofde Aznar ruimhartig ten overstaan van zijn zichtbaar opgelaten gast, zou hij het overleg met de bonden over een sociaal akkoord beginnen. Een belofte die echter nog niet nagekomen is. “Goed, de uitslag is voor Aznar misschien een teleurstelling, maar een telefoontje had er toch wel afgekund”, mopperde Gutiérrez collega van de socialistische UGT, vakbondsleider Cándido Méndez over het uitblijven van de eerste contacten.

Prioriteit nummer een voor de rust op de financiële markten is evenwel het politieke steekspel dat nu plaatsvindt tussen de conservatieve leider Aznar en zijn gedoodverfde coalitiepartner Pujol. De PP van Aznar geldt voor de Catalaanse journalisten als het symbool van het centralistische gezag in Madrid. De gedoogsteun die Pujol de afgelopen drie jaar gaf aan de minderheidsregering van González werd door de PP-aanhang afgestraft met vaak meedogenloze kritiek.

Waarnemers gaan er van uit dat de Catalaanse nationalisten - mede op aandrang van de lobby van Catalaanse werkgevers - ondanks alle diepe wonden die zijn geslagen uiteindelijk zullen instemmen met een vorm van steun aan Aznar. Maar het pact zal bepaald worden door een groot wederzijds wantrouwen. “Pujol steunt Aznar een jaar of twee en laat hem dan vallen op een kwestie rond de verdere onafhankelijkheid van Catalonië”, zo meent een politiek-economisch analist. “Daar zal de markt rekening mee moet houden.”