Ontzondig mij met hysop

LAURENCE WIEDER:

The Poet's Book of Psalms. The Complete Psalter as Rendered by Twenty-Five Poets from the Sixteenth to the Twentieth Centuries

311 blz., Harper Collins 1995, ƒ 49,25

Religie en poëzie gaan makkelijk samen, er zijn mensen die ze zelfs vereenzelvigen. Bij de psalmen van het Oude Testament gaat dat op, ze hoeven niet tot poëzie gemaakt te worden, ze zijn het. Joods van huis uit, daarna geannexeerd door het christendom met zijn bijbel, maar zelfs daarvan losgemaakt, en ook nog eens vertaald, blijft het poëzie met een kracht die spijkers in een balk kan slaan.

Een originele vertaling verscheen onlangs van de hand van Laurence Wieder onder de titel The Poet's Book of Psalms. Wieder, zelf een dichter van Amerikaanse huize, brengt in dit boek Engelse dichters bijeen die zich aan het vertalen van de psalmen hebben gewaagd. Of vertalen? Dat is niet altijd even serieus te nemen, want daarvoor moet een dichter hebreeuws kennen en dat zal voor de meesten van hen niet opgaan. Meestal werd er vertaald vanuit het latijn, soms ook vanuit vertalingen die reeds in andere landen waren verschenen (bijvoorbeeld in Nederland), en soms - inderdaad -vanuit de grondtaal. Aan het resultaat deed en doet het niet af: wat we te lezen krijgen zijn psalmen in prachtig Engels, in een prachtig uitgegeven boek. Aan het slot zijn alle 150 psalmen ook nog eens in de King James Version (1611) opgenomen, de lezer kan dus de dichters die Wieder heeft opgeroepen vergelijken met de, voor Engelse oren, zo vertrouwde standaardtekst. Het Poet's Book of Psalms is dus anders van opzet dan een onlangs bij de uitgeverij Sun verschenen bundel onder de titel Nieuwe Psalmen. Daarin mocht een aantal dichters hun gang gaan, al dan niet aanhakend bij een emotie die door een complete psalm, een regel of een flard ervan werd wakker geroepen. Met als resultaat weinig psalm, zal ik maar zeggen, in elk geval weinig respect voor de oorspronkelijke tekst (en wellicht wat te veel respect voor eigen dichterschap).

Dat is in Wieders boek anders. Bij alle vrijheid en vrijages die de dichters zich ten aanzien van de oorspronkelijke teksten veroorloven, staan de oorspronkelijke psalmen als een huis en regeren zij de taal van de dichter in plaats van omgekeerd. De enige die tegen deze regel zondigt is Wieder zelf, die niet alleen zichzelf het leeuwedeel van de vertalingen heeft toebedeeld (16 stuks), maar er af en toe ook iets van maakt in de geest van de bovengenoemde Nieuwe Psalmen. Een uitvoerige lofzang van de dichter op God die hem uit de benauwdheid heeft gered (psalm 118), doet Wieder af met 'a hipslapper' (een dijenkletser). Dat mag leuk bedacht zijn, maar verknalt het gehalte van de psalm.

Ik vergeet niet dat we met vertalingen bezig zijn en dat het - gek genoeg - telkens de vertaalde tekst is die de literaire vracht draagt. Maar zo is dat nu eenmaal gegaan. Nog merkwaardiger is dat de zestiende- en zeventiende-eeuwse dichters grotere taalkunst vertonen dan de latere. Wat Wieder aan moois laat zien, komt bijvoorbeeld van George Herbert († 1633) die psalm 23 heeft herdicht, met als eerste strofe: The God of love my shepherd is and he that doth me feed: while He is mine and I am his, what can I want or need?

Probleem

De regels laten nog een ander probleem zien waarvoor de oude dichters stonden. Vertalen moest niet alleen met het metrum, de klank, de stilistische kenmerken van het hebreeuws rekening houden, dingen die ver van ons afstaan (indien al bekend), maar ook met de liturgische behoeften van hun tijd: ze moesten liefst zo worden herdicht dat ze gezongen konden worden in de kerkdienst. In Nederland ging dat net zo, soms ten voordele, soms ten nadele van de vertaling. Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, nu gans melaats, zal rein zijn en genezen is een regel die erbij heeft gewonnen dat hij moest passen op een bestaande melodie. Maar opent uwen mond eis van mij vrijmoedig op mijn trouwverbond gaat er juist de mist mee in.

Wieder weet van elke dichter die hij optrommelt iets bijzonders te vertellen in een alleraardigste inleiding op het boek. Soms een pikant detail. Thomas Wyatt († 1542) besteedde zijn gaven aan het vertalen van de boetepsalmen, waaronder ook psalm 51 valt, die aan David werd toegeschreven, vanwege de introductie die dit - overigens prachtige - gedicht meekreeg: 'toen hij tot Bathseba in ging'. David deed nog wel wat meer dan tot Bathseba 'in gaan' en 'in gaan' betekent niet - zoals mijn vader ons vroeger uitlegde - dat hij haar huis binnen ging. Thomas Wyatt voelde zich tot het lied aangetrokken omdat hij, zoals het Engelse hof fluisterde, de minnaar geweest was van Anna Boleyn, voordat zij werd 'ontdekt' door Hendrik VIII. Zo verraden de vertalingen, als het allemaal goed werd uitgezocht, stuk voor stuk hun auteur. Allereerst natuurlijk hun artistieke preoccupaties. Milton wilde per se geen rijm gebruiken maar schreef blank verse. Ook de theologie van de vertaler speelde een rol, psalm 2 was in de klassieke theologie een bewijsplaats voor de eeuwige generatie van God de Zoon, en psalm 51 hetzelfde voor de leer van de erfzonde. Dichters hebben zich van die onzin weinig aangetrokken, maar niettemin introduceert Christopher Smart († 1771) in zijn vertaling van psalm 68 lustig Jezus Christus als held, en zien anderen er geen been in de kerk in een psalm binnen te smokkelen. Smart was trouwens een tijdlang opgesloten in wat wij nu een psychiatrische kliniek zouden noemen en wat toen een 'madhouse' heette. Waarom? Omdat hij midden op straat op zijn knieën viel om te bidden. Inderdaad, anders dan anderen, maar gek? “Rationally speaking, it is a greater madness not to pray at all”, aldus zijn verdediger Samuel Johnson: het is nog gekker om helemaal niet te bidden.

Wereldliteratuur

Maar ontsporingen als die van Smart zijn toch slechts van betrekkelijke invloed op het uiteindelijke resultaat. Wat in de psalmen boven theologie en artistieke voorkeuren uitgaat is het persoonlijk lot dat in vrijwel elke psalm de boventoon voert. God en het lot horen bij elkaar; als een dichter beide combineert worden het psalmen en worden psalmen wereldliteratuur. Ze hebben zich van de rechthebbende eigenaar (Israel) losgezongen en zijn nu allemans goed. Voorzover ik weet bestaat er in het Nederlands niet een soortgelijke bundel als die van Wieder. Het zou een uitgever niet misstaan er een te maken.