'Ontuchtaffaires sociaal symptoom'; Onderzoeker P. Vasterman over mediahype en werkelijkheid

UTRECHT, 16 MAART. De brief over seksueel misbruik door een godsdienstleraar was nog maar net aan de ouders verstuurd of er stond al een cameraploeg bij de rector van het interconfessioneel college in 's-Gravenzande op de stoep. De man had pech. De publiciteitsmachine over ontucht op scholen was reeds aangezwengeld. Ze was sputterend op gang gekomen met de ontuchtzaak van een godsdienstleraar van een protestantse scholengemeenschap in Rijssen en had zich enkele weken later warm kunnen draaien met de zaak van een aardijkskundeleraar van een gereformeerde scholengemeenschap in Amersfoort.

Ontucht op confessionele scholen. Het was er altijd al, maar nu pas heeft het de volle aandacht van de media. “Het journalistieke vliegwiel is op gang gekomen”, zegt P. Vasterman, docent massacommunicatie aan de Utrechtse School voor Journalistiek en Voorlichting. Twee jaar geleden begon hij aan zijn promotieonderzoek naar 'mediahypes' over de “dynamische wisselwerking tussen de media en de samenleving”.

Met mediahype bedoelt Vasterman dan niet de opgeklopte publiciteit voor bijvoorbeeld een pas verschenen boek of film. Hij richt zich op het mechanisme dat ten grondslag ligt aan publiciteitsgolven over maatschappelijk problemen. Niet alleen mensen kunnen volgens Vasterman hyperventileren. Ook de media kunnen door de opwinding “heel sterk en gejaagd gaan ademhalen”. En gek genoeg verloopt dat volgens Vasterman altijd via hetzelfde patroon.

Het begint vaak met een incident dat bijvoorbeeld alleen in een regionaal dagblad aandacht krijgt. Meestal is het een onderwerp over seksualiteit, criminaliteit of gezondheid. Kort daarna verschijnt elders een soortgelijk bericht. Een belanghebbende of een journalist neemt 'een trend' waar en voorziet het verschijnsel van een nieuw 'label'. Nu kan de vonk overspringen. Journalisten laten de dagelijkse nieuwsstroom door een nieuw filter gaan en houden elkaar scherp in de gaten. Bovendien voelen lezers en kijkers zich door de uitvoerige publiciteit aangespoord om ook met hun ervaringen voor de dag te komen. “Daardoor lijkt het alsof een verschijnsel is toegenomen”, zegt Vasterman, “maar het gaat vooral om een toename van de berichtgeving erover.” Vroeger kwam bijvoorbeeld kindermishandeling op veel grotere schaal voor dan nu, zegt Vasterman. “Toch zijn de cijfers al jaren aan het stijgen. Dat komt omdat we er nu veel meer op letten en de definitie van kindermishandeling bovendien is verruimd. Wat vroeger een ferme tik van de hoofonderwijzer was, heet nu mishandeling.”

In het bestuderen van mediahypes is het volgens Vasterman van groot belang om een onderscheid te maken tussen 'incidentele mediahypes' en 'structurele publiciteitsgolven' - ook al vertonen ze hetzelfde patroon.

Neem nu de 'Killerbug'. In het voorjaar van 1994 kwam hij uit Engelse kranten overgevlogen naar Nederland. De Engelse tabloids hadden flink uitgepakt. 'Vleesbacterie at mijn broer op in achttien uur' kopte de Sun. Nederlandse media volgden. Het Algemeen Dagblad schreef over het 'vleesetend virus dat zich met een snelheid van ongeveer 2,5 centimeter per uur door vlees, vet en spieren eet'. In het tijdschrift Massacommunicatie van maart vorig jaar beschrijft Vasterman hoe de Killerbug in Nederland tot de nodige opwinding leidde. Het begon met een stukje in een regionale krant dat meldde dat de directie van het plaatselijke ziekenhuis had besloten de operatie-afdeling tijdelijk te sluiten en schoon te maken nadat twee mensen besmet waren geraakt met een gevaarlijke bacterie. In dezelfde streek komt later nog een geval voor en na de publiciteit over de 'vleesetende bacterie' die dan op gang komt volgt nog een vierde geval. “Vanaf dat moment zien journalisten een cluster en kan de zaak escaleren”, schrijft Vasterman. Maar een deel van de berichten was onjuist, de rest was al langer bekend. Daarom stierf de Killerbug, net als bijvoorbeeld de opwinding rondom kankerverwekkende parkieten een aantal jaren daarvoor, een vroege dood. Een schoolvoorbeeld van een incidentele mediahype.

Anders ligt het met publiciteitsgolven die een weerslag zijn van een veranderende samenleving. Een publiciteitsgolf kan ook een uitdrukking zijn van een verandering in bewustwording en langer dan een decennium beklijven. In dat kader moet men volgens Vasterman de aandacht voor ontucht op scholen plaatsen. Het past in de continue publiciteitsstroom over seksueel misbruik die in de jaren tachtig ontsprong. In de jaren zestig werd volgens Vasterman bijvoorbeeld nog tamelijk laconiek gedaan over verkrachting. “Verkrachters waren psychopaten die zich ophielden in donkere bosjes.” Maar in de jaren zeventig werd verkrachting 'herontdekt' en ontstond het beeld dat verkrachters vaak bekenden van het slachtoffer waren en veel vekrachtingen binnen relaties plaatsvonden. Als uitvloeisel hiervan en onder druk van de vrouwenbeweging kwam in de jaren tachtig het onderwerp incest op de agenda. In 1982 werd de Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling opgericht en in de jaren daarna kwam er een onophoudelijke stroom van artikelen, reportages, boeken en films op gang over seksueel misbruik van kinderen.

De aandacht nu voor ontucht op confessionele scholen is volgens Vastermans “een logische vertakking” van deze nieuwsstroom. Veel aandacht ging daarin de laatste tijd uit naar seksueel misbruik binnen gezagsverhoudingen. De dokter met de patiënt, de hulpverlener met de verstandelijk gehandicapte, de pastores met de parochiaan, de trainer met de sporter en nu de leraar met de leerling. Dat er sprake is van een mediahype wil volgens Vasterman nog niet zeggen dat media de zaak opblazen. “De media doorbreken een taboe en andere slachtoffers besluiten dan ook met hun ervaringen naar buiten te komen.” Mediahypes kunnen volgens Vasterman bovendien een positief effect hebben. “Na verloop van tijd zal de berichtenstroom over ontucht op scholen weer wegebben, maar dan is er wel wat veranderd in de samenleving. Leerlingen zullen eerder aan de bel trekken als ze het idee hebben dat een leraar een grens overgaat.”

Maar met de opkomst van regionale en lokale media en de toename van nieuwe commerciële zenders is er wel een schreeuwende behoefte ontstaan aan onderwerpen voor alle actualiteiten- en praatprogramma's. Vastermans heeft het idee dat mediahypes daardoor de laatste jaren in aantal toenemen. “Affaires zingen ook makkelijker rond.” Maar de docent massacommunicatie wil niet in de valkuil van zijn eigen onderzoek trappen. “Nu ik het label mediahype op sommige nieuwsstromen heb geplakt, lijkt het misschien wel alsof het verschijnsel is toegenomen, maar het is natuurlijk zo oud als de media zelf.”