Nieuwe belangstelling voor 'de overkant'

JASPER ENKLAAR:

Onder de groene zoden. De persoonlijke uitvaart. Nieuwe rituelen in rouwen, begraven en cremeren

200 blz., Alpha 1996, ƒ 39,50

NIGEL BARLEY:

Dancing on the Grave. Encounters with Death

240 blz., John Murray 1995, ƒ 62,50

CEES VAN RAAK:

Dodenakkers. Kerkhoven, begraafplaatsen, grafkelders en grafmonumenten in Nederland

260 blz., De Arbeiderspers 1996, ƒ 45,-

In het lentenummer van het tijdschrift Doodgewoon zijn mooie, zwart-wit foto's afgedrukt van hoe het vroeger toeging wanneer iemand werd begraven. Althans in het dorp Nieuwkuijk, in 1942. Een lange rij in het zwart geklede mannen en vrouwen liep achter de kist naar het kerkhof. In de begeleidende tekst beschrijft een dorpeling de gang van zaken als er iemand overleed. Men verrichtte symbolische handelingen, zoals het afdekken van spiegels, het waken bij de dode, het neerleggen van een rijtje stenen op een bosje stro voor het sterfhuis. Drie stenen voor een ongehuwde en vijf voor een gehuwde dode. De 'geburen' namen uitgebreid deel aan de vele rituelen. De beschrijving van zo'n collectieve ceremonie verandert de blik op de plechtige foto's enigszins. De rouwstoet oogt dan niet meer alleen droefgeestig, maar krijgt ook iets vastberadens. Foto's en tekst wekken de indruk dat er in die tijd een vanzelfsprekende plaats was voor de doden en hun nabestaanden. Niemand hoefde na te denken over zijn of haar rol in de plechtigheden, en dat gaf een prettig houvast.

Na de oorlog raakte dit soort bewerkelijke rituelen in het slop, zo valt te lezen in de vele boeken en artikelen die de laatste tijd zijn verschenen over onze dodencultus. Het werd steeds killer rondom de dood, vooral in de jaren zestig tot tachtig, met de opkomst van de crematoria, uitmuntend in efficiëntie. Met het herleven van de belangstelling voor 'de overkant' lijkt er ook een nieuwe behoefte te zijn ontstaan aan een normalere, openhartiger omgang met onze sterfelijkheid. Vandaar een tijdschrift als Doodgewoon, waarin men bijvoorbeeld, aan de hand van een vragenlijst, zijn eigen mate van doodsangst kan vaststellen. Ook kan men erin lezen over euthanasie, moderne begrafenisondernemers en handbeschilderde doodskisten, - ook iets van de laatste tijd, net als de handgeweven lijkwade, de rouwhoed en de sierurn.

Standaardpakket

Voor de oude rituelen is eigenlijk niets in de plaats gekomen - of juist teveel. Bijna alles is tegenwoordig mogelijk. Een zorgvuldig geregisseerde mediabegrafenis, zoals die van Manfred Langer met veel roze en champagne, maar ook een sobere aftocht per bakfiets of in het zijspan van een motorfiets. De een heeft als laatste wens om in Sinterklaaspak te worden begraven, de ander zou het liefst 's nachts, bij fakkellicht, op zee worden verstrooid in goed gezelschap.

Veel nabestaanden zullen intussen nog steeds kiezen voor wat in alternatieve kringen ietwat smalend 'het standaardpakket' of 'de confectie-uitvaart' wordt genoemd, omdat hun hoofd niet staat naar al het extra geregel en omdat vijf dagen erg kort zijn om iemands begrafenis of crematie te organiseren, zeker na een onverwacht overlijden. Maar, zoals Jasper Enklaar in Onder de groene zoden aantoont, de 'persoonlijke uitvaart' is in opkomst. En hij is er een duidelijke voorstander van. Hij schreef een boek dat je breed georiënteerd kunt noemen en waarin interessante informatie wordt verstrekt over hoe men vanaf de middeleeuwen omging met de doden. Vooral richt hij zich op het heden, op de moderne uitvaartbranche, de wet op de lijkbezorging, funeraire kunst en de verschillende stichtingen, verenigingen en steunpunten die zich met stervensbegeleiding, grafcultuur en rouwverwerking bezighouden. Maar er is ook iets eigenaardigs met dit boek. Het is een mengsel van studie- en cursusboek, van naslagwerk en handleiding. Enklaar verschaft leuke weetjes, bijvoorbeeld over het aantal doden per jaar in Nederland (130.000), de verhouding begraven-cremeren (53-47%), de hoeveelheid as die overblijft van een gemiddelde volwassene (ongeveer 3 kilo) en het ontbindingsproces onder de grond, waar, anders dan gedacht, geen wormen aan te pas komen. Maar hij geeft soms ook wel erg praktische tips, onder meer over het zelf timmeren van een doodskist: “Je kunt uitgaan van een maat van 200x50x50 (lengte, breedte, hoogte). Maar het is aan te raden voor de zekerheid contact met de begraafplaatsbeheerder of het crematorium op te nemen.”

Griezelig

De antropoloog Nigel Barley maakt op de eerste bladzij van zíjn boek over de dood, Dancing on the Grave, meteen duidelijk dat hij beslist geen doe-het-zelf-gids heeft willen schrijven. Hij stelt zich objectief op, en vooral niet moraliserend. Hij gaat hem er niet om vast te stellen wat de goede en wat de verkeerde houding is ten opzichte van de dood. En dus is zijn boek vooral een opsomming, van hoe mensen overal ter wereld hun doden verbranden, begraven of aan de elementen prijsgeven. Hoewel de beschreven rituelen op zichzelf interessant genoeg zijn, en trouwens vaak ook griezelig of vermakelijk, is er iets onbevredigends aan de ruime opzet van Barley. Hij groepeerde zijn observaties weliswaar rond bepaalde thema's, zoals 'politieke doden', 'doodstraf' of 'de mythische plaats van de dood', maar erg veel richting geeft hij zijn boek daarmee niet. Hij springt van China naar Indonesië, van Nigeria naar Engeland, en van Noord-Amerika naar Uganda en dat is op den duur tamelijk vermoeiend. Toch loopt er wel degelijk een rode, om niet te zeggen moralistische draad door de vele ontmoetingen die hij beschrijft met de dood.

Zonder dat hij dat lijkt te beseffen zit er in zijn boek een grote en nogal voor de hand liggende tegenstelling tussen 'zij' en 'wij', en daarmee ook tussen betrekkelijk goed en betrekkelijk kwaad. 'Zij' zijn de voor antropologen zo boeiende bevolkingsgroepen in onder meer Borneo, Venezuela, Kameroen, Peru of Madagascar, die de dood niet ontkennen, zoals 'wij' in het westen, maar zich er krachtig tegen te weer stellen. Voor ons zijn het de nabestaanden die verslagen achterblijven, maar voor 'hen' zijn het de doden zelf, die eenzaam zijn en wel wat gezelschap zouden kunnen gebruiken. Het universele van de dood bestaat er voor Barley in dat iedereen er bang voor is. Met deze angst wordt echter op verschillende manieren omgesprongen. Wij verbergen hem door onze emoties onder controle te houden, ons waardig te gedragen en in stilte te rouwen. Wij houden ons gedeisd, terwijl zij de dood trachten te bezweren door te zingen, te dansen, te lachen of juist absurd veel tranen te vergieten, of door de overledene en zijn familie uit te schelden en te beledigen. In wezen zal er niet veel verschil zijn tussen deze twee methodes, maar Barley heeft duidelijk meer sympathie voor die van 'hun'. Liefhebbers van de dodencultus zoals Barley, Enklaar en ook Cees van Raak, schrijver van Dodenakkers, hebben weinig op met crematies. De methode is hun te drastisch en het bijbehorend ritueel te afstandelijk. Vooral Van Raak, die in zijn boek een inventarisatie geeft van de voornaamste begraafplaatsen in Nederland, staat liever stil bij een zerk dan bij een urn. Met smaak vertelt hij over de bijzonderheden van de verschillende dodenakkers: de meer of minder beroemde mensen die er begraven liggen, de grafmonumenten en de ontstaansgeschiedenis en regelmatig maakt hij zich boos over achterstallig onderhoud. Hij verliest zich wel eens in al te verrukte exclamaties over boom, bloem of plant, en neemt een enkele keer zijn toevlucht tot stroeve reisgidstaal, maar Dodenakkers is toch vooral een liefdevol, geanimeerd en mooi geïllustreerd boek. Aandoenlijk is bijvoorbeeld het verhaal over circusdirecteur en dompteur Willy Hagenbeck (1884-1966), begraven in Valkenburg. Hij was vermaard om zijn dierenliefde. Op zijn graf ligt zijn lievelingsdier, een ijsbeer, uitgestrekt.

Van Raak moet heel wat uren op zijn onderzoeksterrein hebben doorgebracht en, zo blijkt uit alles, geheel tot zijn nostalgische genoegen. Zijn lezers zou hij ook graag rond zien zwerven over de vele dodenakkers die Nederland rijk is. Het boek nodigt daar zeker toe uit, want als wij Van Raak mogen geloven zijn begraafplaatsen eerder knusse wandelgebieden dan naargeestige oorden die ons herinneren aan onze sterfelijkheid.