' Kabinet kan nu niet ineens radicale draai maken'; Rinnooy Kan: regeerakkoord staat op het spel

DEN HAAG, 16 MAART. Na twee gemakkelijke jaren is het kabinet Kok in een moeilijke periode beland. Volgens de voorzitter van de werkgeversvereniging VNO-NCW, Alexander Rinnooy Kan, “staat de filosofie van het regeerakkoord op het spel”. In het najaar van 1994 werd de coalitie van PvdA, VVD en D66 gebouwd op een stevig economisch fundament. Er zou 18 miljard gulden worden omgebogen op de rijksbegroting, in de sociale zekerheid en in de zorg. De helft van het uitgespaarde geld zou naar burgers en bedrijven worden gesluisd in de vorm van lastenverlichting.

Een nieuw evenwicht tussen publieke en private sector, noemde Kok dat in zijn regeringsverklaring. Lagere belastingen en sociale premies moesten werknemers goedkoper maken. Het marktmechanisme zorgde er dan voor dat de vraag naar werknemers zou toenemen en de werkloosheid dalen. Het recept van het kabinet Kok in een notedop.

Halverwege de rit blijkt er van alle berekeningen in het najaar van 1994 weinig meer te kloppen. Het Centraal Planbureau (CPB) heeft ten behoeve van de begrotingsvoorbereiding voor volgend jaar berekend dat van de beloofde 9 miljard lastenverlichting maar 1 miljard gulden terecht dreigt te komen. Dat wil zeggen: bij een economische groei in de komende jaren van gemiddeld 2 procent per jaar (het “behoedzame scenario”). Is de groei een procentje hoger, dan realiseert het kabinet in 1998 wellicht de helft van de voorgenomen lastenverlichting: 4,5 miljard.

De vertegenwoordiger van de werkgevers vindt het maar niets. Rinnooy Kan: “Dit kabinet heeft aanzien verworven door uit te gaan van een flinke lastenverlichting. Het kan niet zo zijn dat het kabinet nu, halverwege de regeerperiode, ineens een radicale draai maakt en uitkomt op slechts één miljard gulden lastenverlichting”. Dat er van de oorspronkelijke lastenverlichting bijna niets resteert komt doordat de premies voor de Ziektewet, de AWBZ, de Ziekenfondswet en de volksverzekeringen (AOW, AAW) door het kabinet in 1994 3,5 miljard gulden beneden lastendekkend niveau zijn vastgesteld. “Wij hebben daarvoor gewaarschuwd”, aldus Rinnooy Kan. “Politici hebben echter de natuurlijke neiging om met te zonnige prognoses te werken.”

Tegen beter weten in heeft het kabinet Kok ook de premies voor 1995 te laag vastgesteld, zodat er bij elkaar een vermogenstekort van 7 miljard gulden is ontstaan bij diverse sociale fondsen. Die tekorten zullen door premieverhoging moeten worden ingelopen. Rinnooy Kan stelt voor om dit leed niet in twee maar in drie jaar te lijden. Door de noodzakelijke premieverhoging over drie jaar uit te smeren (dat wil zeggen: tot voorbij de huidige kabinetsperiode) hoeven de premies volgend jaar minder omhoog. “Zeven miljard gulden in twee jaar tijd is een slecht perspectief”, zegt Rinnooy Kan. “Daardoor gaan veel banen verloren”.

Het gesprek vindt plaats in het Jaarbeurs Congrescentrum te Utrecht, waar de oud-rector magnificus (Erasmus Universiteit) de vereniging van schooldecanen toesprak. Behalve over de dreigende teloorgang van de succesformule “ombuigen ten behoeve van lastenverlichting” maakt hij zich zorgen over de stagnerende winsten. Uit de doorrekening van het regeerakkoord bleek dat het aandeel van de winsten toenam ten koste van de arbeidsinkomens. Wat blijkt? Mede door het niet doorgaan van lastenverlichting die in hoofdzaak ten goede zou komen aan werkgevers neemt het aandeel van de winsten in het totale bedrijfsinkomen niet toe met 4, doch slechts met 0,75 procent.

“De rendementen ogen beter dan ze zijn”, zegt Rinnooy Kan. “En dat maakt de economische situatie des te zorgelijker. De vakbonden zijn er trots op dat ze een in hun ogen gematigde loonstijging van 3 procent vragen. Maar als je beseft dat de produktie per werkende volgend jaar maar met een magere half procent groeit bij een lage inflatie, dan is die 3 procent helemaal niet zo mager. De CAO's die nu worden afgesloten dreigen zo te duur uit te vallen”.

Om het probleem van de “teloor gegane lastenverlichting” en de zijns inziens “te hoge looneisen” op te lossen hebben de werkgevers een meesterzet bedacht: belastingverlaging. Daarvoor is volgens hem ruimte, want met het financieringstekort ligt het kabinet wél goed op koers. “Voor zover we het nu kunnen overzien”, aldus Rinnooy Kan, “ligt het begrotingstekort onder de norm voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie. Daar hoeven we ons dus geen zorgen over te maken. Daarom stellen wij voor het tarief voor de eerste schijf van de inkomstenbelasting te verlagen. Daarmee slaat het kabinet twee vliegen in één klap: de succesformule van de lastenverlichting blijft in stand, terwijl de voorziene koopkrachtdaling als gevolg van hogere premies zich niet voordoet”.

Belastingverlaging moet ertoe leiden dat de koopkracht van mensen met een minimuminkomen en iets daarboven volgend jaar niet daalt. “Wij zijn niet ongevoelig voor het streven naar koopkrachtbehoud”, aldus de werkgeversvoorman. “Bovendien blijven we zo verstoken van hogere lasten, die via afwenteling in de lonen toch weer bij ons zouden belanden, hetgeen slecht is voor de werkgelegenheid.”

Blijft over de zorg voor de staatsschuld. Voor toetreding tot de EMU moet deze terug van de huidige 78,5 procent van het bruto binnenlands produkt tot 60 procent. “De fractievoorzitter van D66 in de Tweede Kamer, Gerrit Jan Wolffensperger, heeft gesuggereerd om minder prioriteit toe te kennen aan de EMU-normen. Volgens mij is dat niet de bedoeling en zeker ook niet nodig.” Rinnooy Kan heeft een beter idee. “Als het niet anders kan, dan moeten we maar tafelzilver verkopen”, zegt Rinnooy Kan. “Daarvan hebben we nog genoeg op de plank liggen.” Hij doelt op de belangen die de Staat heeft in diverse bedrijven.

Om de in het regeerakkoord beloofde lastenverlichting overeind te houden zal er volgens de werkgevers de komende twee jaren meer omgebogen moeten worden. Want ook van de beloofde ombuigingen maakt het kabinet een potje. Volgens het CPB wordt er in 1998 2 miljard gulden minder bezuinigd op de rijksbegroting, in de sociale zekerheid en de zorgsector, terwijl 1,25 miljard gulden meer wordt uitgegeven dan de bedoeling was. Dat er minder wordt omgebogen komt voor een belangrijk deel doordat de uitkeringen in 1997 en 1998 worden verhoogd overeenkomstig de gestegen lonen in de marktsector. Bij het opstellen van het regeerakkoord werd nog gerekend met een halve koppeling. Dat scheelt een slok op een borrel. De collectieve uitgaven vallen daardoor ruim een miljard gulden hoger uit.

Er kan de komende jaren weer gekoppeld worden, omdat er tegenover elke 1000 actieve minder dan 826 inactieve inkomenstrekkers staan. Dit is de discutabele maatstaf voor wel of niet koppelen die in de Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid (WKA) wordt genoemd. Dat deze norm zo gunstig uitvalt komt niet zozeer doordat het aantal uitkeringsgerechtigden zo spectaculair is gedaald, maar doordat het aantal werkenden met zo' n 400.000 toeneemt. Rinnooy Kan noemt de koppelingswet “povere, armoedige wetgeving, die moet maskeren dat politici de hoogte van de uitkeringen niet durven vast te stellen”. Rinnooy Kan: “Politici moeten de moed hebben om eenmaal per jaar het politieke debat te voeren over de hoogte van de uitkeringen en het minimumloon, en zich niet verschuilen achter een automatisme”.