Islamitische Universiteit boogt op vreedzaamheid

Een Pakistaanse minister omschreef de Islamitische Universiteit van Islamabad vorig jaar als een broedplaats van terrorisme. De leiding is hierover nog steeds kwaad en zegt dat er op de universiteit nog nooit een schot is gelost.

ISLAMABAD/LAHORE, 16 MAART. In de schaduw van de enorme Faisal-moskee, waarvan de vier messcherpe minaretten als raketten de hemel in priemen, bevindt zich de Internationale Islamitische Universiteit van Islamabad. Hier wordt een geestelijke elite gekweekt die voorop moet lopen in de strijd voor een moderne islamitische samenleving, niet alleen in Pakistan maar in de hele umma, de islamitische wereld.

Terwijl hun collega's elders in Pakistan aan de televisie gekluisterd zitten om de cricketwedstrijden voor de Wereldbeker te volgen, zweten de studenten van de Islamitische universiteit op de Koran, de shari'a, het islamitisch recht, en de economie op islamitische grondslag. “Stil”, sist een student in de uitgestrekte bibliotheek, wanneer een paar anderen naar zijn zin te luid met elkaar discussiëren.

Uit alle hoeken van de moslim-wereld zijn de 1.800 studenten gekomen, vaak met financiële steun van gulle sjeiks uit het Midden-Oosten. Slechts de helft is Pakistaans, de overigen komen onder meer uit Afghanistan (154), China (100), Indonesië (77), Soedan (28), Somalië (51), Jordanië (38) en Turkije (64). De universiteit is scheutig met beurzen voor geïnteresseerden uit 'bedreigde' islamitische landen of gebieden als Tadzjikistan (44), Tsjetsjenië (25) en Bosnië (4). De docenten komen behalve uit Pakistan vooral uit Egypte.

Alle verheven doelstellingen ten spijt werd de Islamitische Universiteit er afgelopen november door de Pakistaanse minister van binnenlandse zaken, Nasirullah Babar, openlijk van beschuldigd een broedplaats van terrorisme te zijn. De minister suggereerde dat de universiteit betrokken was geweest bij de bomaanslag kort tevoren op de Egyptische ambassade in Islamabad, waarbij vijftien mensen werden gedood.

Had immers begin vorig jaar niet een Zuidafrikaanse student aan de universiteit een kennis, Ramzi Yusuf, aangegeven, die betrokken bleek bij de aanslag op het World Trade Center in New York van 1993? En beschikte de minister niet over een geheim maar later uitgelekt rapport van zijn inlichtingendienst, waarin de universiteit werd omschreven als een “direct veiligheidsrisico”? Meteen werd de campus door de politie doorzocht, zonder dat dat overigens iets opleverde.

Babars beschuldigingen sloegen op de universiteit in als een bom. “We werden volstrekt ten onrechte in verband gebracht met terrorisme”, aldus dr. Anwar Siddiqui, plaatsvervangend hoofd van de universiteit. “Wij hebben altijd elke vorm van terrorisme veroordeeld. Geen enkele moslim mag zich daarmee bezig houden. Er bestaat geen grotere misdaad.”

Volgens Siddiqui, die gekleed gaat in een onberispelijk Westers pak met das, heeft Babar inmiddels toegegeven dat hij zich had vergist en dat hij te haastig was geweest met zijn beschuldigingen. Fijntjes wijst Siddiqui erop dat de buitenlandse studenten stuk voor stuk worden gescreend door de Pakistaanse autoriteiten, inclusief Babars eigen ministerie, voor ze aan de universiteit worden toegelaten. Het ministerie van binnenlandse zaken is niet bereikbaar voor commentaar.

“Onze universiteit is juist de meest vreedzame van het land”, verklaart Siddiqui. “Er zijn hier nooit stakingen. Anders dan op bijna alle andere universiteiten van Pakistan, hebben we hier zelfs nog nooit een schietpartij gehad. Er is hier nog nooit een geweer gevonden.”

Siddiqui verklaart dat de minister zijn aandacht beter kan richten op de madrasa's, de islamitische scholen waar vooral kinderen op het platteland wat eenvoudig onderricht in de Koran krijgen. “Die waren nauw betrokken bij de oorlog in Afghanistan en daar kregen studenten les in het hanteren van wapens. Studenten daarvan zouden zich nu met terrorisme en de handel in verdovende middelen kunnen bezighouden.”

Inderdaad suggereert niets op de campus dat de universiteit een broedplaats voor terrorisme is. Er zijn geen politieke leuzen gekalkt op de muren, het is netjes in de gebouwen en de studenten maken een zeer gedisciplineerde indruk. De universiteit lijkt vooral een geestelijke weerbaarheid aan te moedigen, niet een fysieke. Wel is bekend dat sommige steunpilaren van de universiteit, zoals de econoom dr. Kurshid Ahmad, tevens nauwe banden onderhouden met de kleine maar invloedrijke fundamentalistische partij Jamaat-i-Islami.

De universiteit wil tegelijkertijd een bolwerk zijn van moderne wetenschap en traditionele islam. De moderne component komt nog niet geheel uit de verf en blijft vooralsnog beperkt tot een zaaltje met computers en een talenlaboratorium voor de studie van het Arabisch en het Engels. Op den duur hoopt men er echter ook medicijnen en technische wetenschappen te doceren. Er is ook een afzonderlijke afdeling voor vrouwelijke studenten opgezet, op een andere locatie.

Hoofddoel van de universiteit is niets meer of minder dan “de wederopbouw van het moslim-individu en de moslim-samenleving op grondslag van de islam”, zoals een folder het formuleert. Ze wil studenten een alternatief bieden voor de universiteiten in Europa, “waar ze verplicht zijn onderwijs te volgen in een omgeving die schadelijk is voor hun morele en intellectuele ontwikkeling.”

De meeste studenten lijken veel minder in politiek geïnteresseerd dan hun collega's aan andere universiteiten. “Ik heb het hier zeer naar m'n zin”, zegt een gemoedelijke 29-jarige Soedanese student, die een doctoraal-programma in islamitische studies volgt en hier op kosten van zijn familie zit. “Het is prettig om in aanraking te komen met broeders uit zoveel andere islamitische landen.”

“Het goede van deze universiteit is dat de studenten zich verre van de politiek houden”, beaamt de 30-jarige Hassan Bandaripur uit Iran, die Arabische literatuur studeert. “Er wordt hier veel harder gewerkt dan aan andere universiteiten en er wordt niet gestaakt. Ik was verbijsterd dat een vriend van mij zes jaar over zijn drie jaar durende studie microbiologie in Karachi deed. Dan was de universiteit weer twee maanden gesloten voor een staking en dan weer voor een schietpartij. Er kwam geen eind aan.”

Aan de technische universiteit in een voorstad van Lahore kunnen ze daarover meepraten. Voor een gesloten haveloze studentenflat zit Naeem Mehmad te wachten. Hij heeft gehoord dat de autoriteiten de universiteit vandaag even zullen openen, zodat geïnteresseerde studenten wat boeken bij elkaar kunnen scharrelen. Al anderhalve maand is de universiteit gesloten nadat het bij herhaling tot schietpartijen was gekomen tussen twee rivaliserende studentenbewegingen, waarbij vier gewonden waren gevallen.

De ene beweging bestaat uit aanhangers van de grootste oppositiepartij van het land, de Pakistaanse Moslim Liga, de andere uit aanhangers van Jamaat-i-Islami. Volgens Mehmad vormen de politiek actieven maar een minderheid, van dikwijls arme, zeer jonge en weinig getalenteerde studenten die zonder geldelijke steun van de politieke partijen geen kans zouden hebben aan de universiteiten. “Ze bederven het voor ons allemaal”, vindt hij.