Globalisering is vuurproef voor Westen

Als het om globalisering gaat, zijn steeds duidelijker twee kampen te onderscheiden. Het ene ontkent dat er iets aan de hand is, het andere werpt zich op als hogepriester van de globalisering. Zo wordt de kern gemist, meent Ben Knapen. Er treedt een unieke verschuiving van economische dynamiek op in de wereld, richting Azië. Wil die niet als een wals de sociale markteconomieën van Europa platrijden, dan heeft het Westen allereerst vitale en slagvaardige overheden nodig.

In het late najaar van 1995 gingen Fransen massaal de straat op om te protesteren tegen spaarplannen van het kabinet-Juppé. Nu hoort staken tegen een regering tot het seizoensritme van de Franse werknemers, maar dit keer leek er meer aan de hand dan een partijtje touwtrekken tussen vakbonden en belastingbetalers. Intellectuelen in Frankrijk hebben de wekenlang durende stakingen al uitgeroepen tot een historische gebeurtenis, namelijk de eerste staking tegen de globalisering, tegen de “mondialisation”. In een ander, nog belangrijker Europees land, Duitsland, hangt al geruime tijd een sfeer van moedeloosheid en berusting. Gestaakt wordt er niet, het past niet bij de naoorlogse cultuur van gezamenlijke sociale verantwoordelijkheid waarmee het nieuwe Duitsland de lessen uit het verleden van de Weimar-republiek ter harte heeft genomen. Maar gejammerd wordt er des te meer. Het land kampt met een werkloosheid van ruim vier miljoen mensen oftewel tien procent van de werkende bevolking.

Omdat Duitsland verreweg het belangrijkste land in de Europese Unie is - goed voor bijna eenderde van het hele bruto sociaal produkt van de Gemeenschap - en omdat de zorgen er exemplarisch zijn, verdient het uitvoeriger aandacht. Duitsland is een schoolvoorbeeld van een sociale markteconomie. “Eigentum verpflichtet” staat er in de grondwet, een consensus-kapitalisme met ruime bevoegdheden voor de vakbeweging is ervan het kenmerk. Duitse bedrijven maakten in vergelijking met bedrijven in bijvoorbeeld de Angelsaksische wereld nooit erg grote winsten. Dat kon ook, omdat het ondernemerschap in West-Duitsland tamelijk risicoloos was, zonder stakingen en met brave aandeelhouders die zich door de grote banken met geringe dividenden tevreden lieten stellen. De internationalisering van de economie, en dan vooral van de kapitaalstromen, heeft aan deze betrekkelijke rust inmiddels een eind gemaakt. De wedloop om het geld van internationale investeerders dwingt ook Duitse bedrijven tot efficiency, hogere rendementen en transparantie. Het simpele feit dat arbeidskosten per eenheid produkt in de Verenigde Staten nu ruim eenderde lager zijn dan in Duitsland maakt dat beleggers voorzichtiger worden met Duitsland. Want Duitse produkten zijn misschien wel beter en ingenieuzer dan Amerikaanse, maar op een zeker moment is dat onvoldoende om de hoge Duitse prijzen in de wereldmarkt nog langer te rechtvaardigen. Het gevolg is dat Duitse producenten drie dingen tegelijk doen: reduceren van dure arbeidsplaatsen, verplaatsen van bedrijvigheid naar goedkopere landen en, als alles tegenzit, inkrimpen van de bedrijvigheid.

Het eertijds succesrijke Rijnlandse model heeft ernstige averij opgelopen, die in zekere zin inherent was aan het succes en aan het systeem. Het succes heeft in de jaren zeventig en tachtig tot zelfgenoegzaamheid geleid en tot rigiditeiten, die men in grote delen van West-Europa aantreft. Je treft het bij bonden en bij de top van bedrijven aan. Zo maken twee miljoen leden van de voedingsbond in Duitsland het bijvoorbeeld al jaren onmogelijk om 's avonds in dat land boodschappen te doen. Zo was de arrogantie in de top van Daimler-Benz op een bepaald moment zo groot dat men redeneerde alsof men vanaf een hemeltroon naar de aarde keek. De tijd van de auto is voorbij, zei Daimler-chef Edzard Reuter op zekere dag en Daimler-Benz begon in het kader van een geïntegreerd technologieconcept alles te kopen wat maar beweegt. En zoals bekend, vanaf de hemel beschouwd beweegt eigenlijk alles. Niemand hield hem tegen, aandeelhouders al helemaal niet. Tien jaar later wordt de hybris met veel pijn en moeite, met verlies van vele duizenden arbeidsplaatsen ook, gestraft.

Gemakzucht, luiheid en juridische muggenzifterij hebben het succes van de sociale markteconomie begeleid. Nergens wordt zo vaak en zo lang vakantie gehouden als in Duitsland, geen land ter wereld waar zelfs het verblijf in een kuuroord nog op kosten van de gezamenlijke ziekenfondsen kan worden genoten. Dit alles is des te onbehaaglijker omdat de verzorgingsstaat is gebouwd op de vooronderstelling van economische groei en van voldoende arbeidsplaatsen. Om alle sociale arrangementen te kunnen betalen moeten premies worden betaald, om alle uitkeringen min of meer op peil te houden is in de Europese verzorgingsstaten alleen al een jaarlijkse groei nodig van zo'n tweeëneenhalf procent. Alleen dan kan het groeiende aantal ouderen - die ook steeds ouder worden - worden verzorgd. Geen wonder dat er op het ogenblik in Europa grote onrust is over de pensioenen, want de groeiverwachting blijft achter. Het succes van het sociale model heeft ook tot andere vormen van zelfgenoegzaamheid geleid. In zekere zin is West-Europa - dat wil zeggen: continentaal Europa, want Groot-Brittannië is in elk opzicht een geval apart - blijven steken in de Eerste Industriële Revolutie, in de klassieke industrieën als auto's, machinebouw, chemie en elektrotechniek. Typisch terreinen waar Europa door snelle groeiers in Azië zijn exclusiviteit is kwijtgeraakt, en inmiddels ook verliest op prijsconcurrentie. Op een aantal sleutelindustrieën van de nieuwe industriële revolutie is Europa niet of praktisch niet van de partij. De Duitse diplomaat, classicus en econoom Konrad Seitz noemt in zijn boek The Japanese-American Challenge chips, basistechnologieën, computers, zendapparatuur bij telecommunicatie, biotechnologie en nieuwe kunststoffen. De klassieke theorie van de econoom Ricardo dat landen met natuurlijke hulpbronnen een aanzienlijk kostenvoordeel zouden verwezenlijken, klopt allang niet meer. Dat Japan de markt voor geheugenchips en liquid crystal display's (platte computer- en televisieschermen) domineert, of dat Amerikanen een leidende positie hebben in computers en microprocessoren, heeft niets met natuurlijke hulpbronnen te maken, aldus Seitz. Het gaat om de beschikbaarheid van kapitaal en goed opgeleide onderzoekers. Om die achterstand op Amerika en Japan in te halen dringt men op het wetenschappelijk bureau van nota bene de sociaal-democratische partij in Duitsland, bij de Friedrich Ebert-Stiftung, daarom zelfs aan op een “ontwikkelingspolitiek voor een ontwikkeld land”. Let wel, de SPD heeft het dan over het eigen land, Duitsland.

Zo beschouwd, is de internationale economische wind die over Duitsland waait niet alleen koud maar ook verfrissend. Het dwingt tot aanpassing, sanering en vernieuwing. Nu is globalisering niet nieuw, hooguit de term en de context zijn dat. De instorting van het communisme en de opening van Azië hebben aan de globalisering een onverwachte tempoversnelling gegeven. Zo leefde twintig jaar geleden tweederde van de wereldbevolking nog afgeschermd van de wereldeconomie, in het jaar tweeduizend zal dat nog maar tien procent zijn. Bij de huidige globalisering gaat het echter niet alleen om een intensivering van economisch en cultureel verkeer op wereldschaal. Het gaat tegelijkertijd om een unieke verschuiving van economische dynamiek in de wereld. Volgens een schatting van de Wereldbank zullen in het jaar 2020 zeven van de tien toonaangevende economische landen in de wereld in Azië liggen, met China als nummer één nog vóór de Verenigde staten. Aan de eeuwenoude heliotropische ontwikkeling waarbij het epicentrum van dynamiek telkens weer verder westwaarts trok, komt een einde nu de eeuw van Azië in zicht is.

In zijn consequenties valt zo'n revolutie in de verhoudingen niet te overzien. maar de voorlopige reacties in Europa en ook wel in Amerika suggereren toch vooral dat het hier gaat om een ongrijpbaar ongemak. Zo op het eerste gezicht zijn er twee kampen zichtbaar - het ene ontkent bij voorkeur de globalisering. Globalisering is namelijk buitengewoon lastig wanneer men hogere lonen wil, gegarandeerde uitkeringen, korte werkweken en wat dies meer zij in de sector verworven rechten. Hoe verleidelijk is het dan niet om het verschijnsel te bagatelliseren, te ideologiseren of te ontkennen onder het motto dass nicht sein kann, was nicht sein darf?

Hun tegenpool vormen sommige hogepriesters van de globalisering. Zij spreken niet alleen over footloose companies, maar lijken zelf soms een beetje footloose geworden. Of om het wat demagogisch te zeggen: wie deinend op een achterdek van een motorjacht in de haven van Saint-Tropez over globalisering orakelt, heeft misschien niet steeds zijn sociaal-antropologisch veldwerk in de benen. Globalisering staat immers haaks op een diep-menselijke behoefte aan binding en houvast en aan overzichtelijke levensomstandigheden. Mensen willen ergens bijhoren, zich met een herkenbare, verinnerlijkte omgeving kunnen identificeren. Tal van moderne rituelen in verenigingsverband, in wijkverband, in de braderie-cultuur en wat dies meer zij duiden op zo'n wellicht simpelweg antropologisch bepaalde aandrang. Mensen zijn met andere woorden nooit footloose en mochten ze dat wel zijn dan lopen ze bij het Riagg.

Wie verder wenst te kijken dan de verkettering of aanbidding van het begrip globalisering, komt bij serieuze vraagstukken terecht. In hoeverre is globalisering een soort onzichtbare hand, die zich aan de regie van samenlevingen onttrekt? In hoeverre is dat voor Westerse democratieën aanvaardbaar? In het geding zijn dan de functie van de staat en de manier waarop samenlevingen zichzelf na de Amerikaanse New Deal en vooral na de Tweede Wereldoorlog hebben ingericht.

De overheid heeft een dominante rol gekregen in de inrichting van de samenleving. Zij heeft niet alleen het geweldsmonopolie, zorgt voor recht en orde, maar stuurt ook alle belangrijke verzorgingsarrangementen. Grofweg de helft van alle jaarlijkse bestedingen van een doorsnee Europees land loopt via de collectieve sector. De staatstaken zijn daarmee omvangrijker geworden dan ze ooit in de geschiedenis waren. Inmiddels is het geloof in de maakbaarheid van de samenleving weliswaar afgenomen. Overheidsvoorzieningen worden beetje bij beetje verminderd, rijksdiensten worden geprivatiseerd, verzelfstandigd of modieus “op afstand” geplaatst. Maar dat neemt niet weg dat de overheid, of liever: de collectiviteit, nog altijd een dominant gewicht in de schaal legt in sociale verhoudingen. Tegelijkertijd is de vaardigheid van de overheid om te handelen, om op veranderingen te reageren, om via trial and error verbeteringen aan te brengen, de laatste decennia door datzelfde overgewicht afgenomen. Immers, overal hebben zich belangengroeperingen genesteld, die de overheid tot een precair evenwicht en tot behoedzaam manoeuvreren dwingen.

Tot op zekere hoogte wordt de democratie ook gegijzeld door een verslaving aan economische groei. Burgers eisen van hun regering behoud van inkomsten en van koopkracht en de overheid kan alleen leveren wanneer de economische groei voldoende is. Als de economie niet groeit, protesteren mensen tegen bezuinigingen, ze jagen hun president uit het Witte Huis of ze laten zich tevreden stellen door een verhoging van de staatsschuld - enjoy now, pay later heet dat, maar dan op democratische wijze afgesproken.

Ziehier het dilemma voor staten wanneer ze met globalisering worden geconfronteerd. Als ze erop reageren, jagen ze hun burgers in de gordijnen, als ze niet reageren werken ze mee aan een sluipende Verelendung. Het vrije kapitaal trekt weg uit de dure landen, schulden van verzorgingsstaten nemen toe, protectionistische kunstgrepen verzachten nog even de pijn en ten slotte ontwaakt het Westen op zekere dag in het besef dat het arm geworden is en de vroegere koloniën intussen rijk. Meer nog, in zo'n doemscenario bestaat het risico dat een in grote delen van Europa gewaardeerd model van sociale markteconomie verloren gaat, zoals de socioloog Ralf Dahrendorf onlangs waarschuwde. Zo somber hoeft het er helemaal niet uit te zien. Het besef van veranderde tijden heeft misschien nog niet tot een gevoel van urgentie geleid, maar het besef zelf is er wèl. De volgende stap moet het zoeken naar gemeenschappelijke uitgangspunten zijn: de continentale landen van Europa zouden bijvoorbeeld kunnen vaststellen dat ze grote waarde blijven hechten aan de sociale markteconomie. Dat heeft weliswaar tot gevolg dat de verzorgingsstaat soberder van karakter zal moeten worden, omdat het voor bedrijven anders moeilijk wordt in deze landen het hoofd boven water te houden. Maar het betekent ook dat bedrijven in sociale zin opnieuw in de samenleving moeten worden ingebonden. Footloose is mooi zolang het duidt op beweeglijkheid, footloose is lelijk zodra het leidt tot statenloosheid. Ook bedrijven hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid, al is dat helaas een term die zo is misbruikt dat er misschien een andere uitdrukking voor moet worden bedacht. Bovendien, bedrijven krijgen er ook iets voor terug, namelijk loyale, goed opgeleide medewerkers, een betrouwbare rechtsorde en daarmee de mogelijkheid om op langere termijn te plannen. Het komt er voor Europa in feite op neer om via politieke beslissingen de sociale verantwoordelijkheid betaalbaar te maken zonder ze af te schaffen. De tegenstelling tussen efficiency en sociale plicht kan alleen worden overbrugd door de burger, dat wil zeggen door de politiek. Het is derhalve een majeure test voor de politieke cultuur van de Europese verzorgingsstaten die er voor het eerst in hun geschiedenis op deze schaal mee worden geconfronteerd.

Daar komt nog iets bij: globalisering kan leiden tot een economische, sociale en mentale tweedeling van de samenleving. Robert Reich - nu minister van arbeid in de Verenigde Staten - heeft daar voor zijn ministerschap, als Harvard-professor nog een interessant boek over geschreven, The Work of Nations. Daarin beschrijft hij een goed opgeleide categorie mensen die door de wereld reist, toegang heeft tot een informatiecircuit, eigen scholen voor de kinderen bekostigt, in eigen wijken woont en in zekere zin footloose jegens de eigen natie wordt. Zoiets botst met de verantwoordelijkheid die burgers in een Westerse democratie hebben jegens de publieke zaak.

Naast en in samenhang met de eigentijdse globalisering, is er het parallelle fenomeen van de opkomst van Azië. Dat vraagt om heel andere uitgangspunten: negatief geformuleerd is hier eigenlijk het superioriteitsgevoel van het Westen in het geding, positief geformuleerd wordt de zelfverzekerdheid van de Westerse cultuur, het Westerse universalisme, op de proef gesteld. Dat klinkt misschien wat al te ernstig. De Westerse democratie is een produkt van Westerse beschaving, van Renaissance, Verlichting, van individualisme en van rechtsbeginselen zoals gelijkheid voor de wet, scheiding der machten, vrije rechtspraak en wat dies meer zij. Het produkt van die beschaving was altijd ook in termen van vooruitgang, van technische en economische ontwikkeling superieur aan anderen. Als die superioriteit wordt belaagd dan kunnen economische druk van buitenaf en twijfel van binnenuit de Westerse instituties ondermijnen. Op de nieuwe agenda van uitgangspunten zou derhalve ook moeten staan dat de democratische ordening van het Westen nog altijd aanspraak mag maken op universele geldigheid. Dat is moeilijk genoeg, want zelfs de Verenigde Staten die toch bij uitstek deze idee belichamen, voelen zich ongemakkelijk tegenover bevolkingsgroepen met andere wortels en zien zich genoodzaakt in geschiedenisboekjes op school al hier en daar hetzelfde gewicht toe te kennen aan Sitting Bull als aan Thomas Jefferson. Niemand wil graag een racist worden genoemd en dat leidt soms tot een tragische relativering van het joods-christelijke, c.q. Westerse erfgoed.

Een ander risico in hetzelfde verband is de flirt met besluitvormingsstructuren uit het gebied van de Aziatische tijgers. Hun economische groei mag fantastisch zijn, dat betekent geenszins dat hun politieke cultuur zich voor navolging leent. Natuurlijk hoeft het Westen niet zo arrogant te blijven dat het niets wenst te leren van andere landen. Maar de autoritaire melodieën van die regio hoeft de burger in het Westen niet te kopiëren. Sterker nog, mag de Westerse burger niet kopiëren, want het hoort niet, het werkt hier niet en zal ten slotte daar ook niet werken. Immers, ook ginds zal een middenklasse tevoorschijn komen voor wie democratie de enige route naar bewegingsvrijheid en bestaanszekerheid vormt. Al degenen die een clash of civilizations voorspellen, zijn niet alleen te pessimistisch, ze houden ook te weinig rekening met het sociaal-historische gegeven dat middenklassen enigerlei vorm van democratie moeten en zullen afdwingen om zich te handhaven. Verpauperde massa's en autoritaire machthebbers weten met de milde, alledaagse chaos van een democratie geen raad, de middenklasse wèl.

Dit type vastberadenheid mag het Westen zich niet ontzeggen, al hoeft dit niet voortdurend in pedante belering te ontaarden.

Politiek-cultureel zelfbewustzijn en een herkenbare functie voor de overheden in het Westen zijn vereist om de globalisering en de opkomst van Azië te kunnen verwerken. Maar het is niet genoeg. Europa zal zijn gewicht in de schaal moeten leggen, wil het niet op vele fronten tegelijk worden weggevaagd. Kijken we eens even naar een paar getallen, want er is meer aan de hand dan een komende economische dominantie van Azië over twee decennia. De Amerikaanse export naar Azië is al enige tijd groter dan die naar Europa. Daarmee is niet gezegd dat Europa een vijfde wiel aan de wagen wordt. Zeker niet. De Verenigde Staten hebben meer plezier van hun handel met Europa, want de handel met Azië produceert reusachtige handelstekorten en die met Europa is praktisch in evenwicht. Bovendien is de economische relatie van Amerika met Europa stimulerender: naar Azië gaan vanuit Amerika voornamelijk grondstoffen en halffabrikaten, naar Europa ook technisch hoogwaardige produkten. En wat op de lange duur nog meer telt: de Verenigde Staten investeren bijna twee keer zoveel in Europa als in Azië. Omgekeerd komen uit Europa bijna vier keer zoveel directe investeringen in Amerika dan vanuit Azië. Behalve de economie is er de buitenlandse en veiligheidspolitiek. De Verenigde Staten hebben een strategische functie te vervullen in Azië, maar zij hebben er betrekkelijk weinig partners. Hooguit Japan kan een partner worden genoemd, maar dan nog een met allerlei vraagtekens en dubbelzinnigheden. Vergeleken daarmee is de relatie met de Europese Unie fundamenteel anders: het netwerk aan institutionele verdragen, regelingen en routines is nergens zo groot als tussen de regio West-Europa en de Verenigde Staten. Nergens anders dan in Europa vinden de Verenigde Staten een zo geschikte, een zo gelijkgezinde partner om de grote kwesties, de grote uitdagingen van de volgende eeuw mee het hoofd te bieden. De Amerikaans-Europese kern van een democratische wereld kan op deze manier ook uitzicht bieden op een minimum aan ordening in de wereld. De 'Nieuwe Transatlantische Agenda', die op de top van Sevilla vorig jaar werd vastgelegd, is derhalve meer dan een verlegenheidsfrase. Althans, dat zou het kunnen worden. Want anders gezegd: tegenover een imposante opkomst van Azië staat een structurele en stimulerende politieke en economische verbinding tussen Europa en Amerika.

Echter, daar is één reusachtig probleem: namelijk dat Europa niet bestaat. Zeker, in de Europese Unie is de afgelopen veertig jaar geweldig veel bereikt, zoveel zelfs dat het belangrijkste gevaar van vroeger tijden - oorlog tussen Frankrijk en Duitsland - inmiddels onvoorstelbaar is geworden. Dat is een niet geringe verdienste van de naoorlogse generatie staatslieden. Maar de afgewende bedreiging van gisteren mag het zicht niet ontnemen op de bedreigingen van morgen. De Europese Unie bevindt zich aan de vooravond van de meest riskante wandeling langs de afgrond in haar geschiedenis. Er staan vele nieuwe leden in de wachtkamer. Als intergouvernementele organisatie dreigt de Unie met straks meer dan twintig leden praktisch onbestuurbaar te worden. Het samenbindende element van de landbouwbegroting - ze maakt nog altijd tweederde van de EU-begroting uit - zal met de uitbreiding zeker verdwijnen wegens onbetaalbaarheid. Het Europese parlement kan met straks meer dan tweeduizend leden geen aanspraak op legitimatie doen gelden. Vermindering van het aantal Europarlementariërs brengt de legitimatie op een andere manier in het nauw. De Europese Commissie dreigt verder verlamd te raken met veel nieuwe leden en veel vreemde eenden in de bijt. De vergrote Unie zal bestaan uit heel veel leden die niet eens een begin van overeenstemming kunnen of willen zoeken over doel en karakter van de Unie. Moet het een politieke federatie of een vrijhandelszone zijn? Hoe Europees moet het blijven met de Middellandse zee-staten en Turkije voor de poorten? Waar houdt Europa op, moeten islamitische landen - bijvoorbeeld Bosnië - erbuiten blijven?

Elke gelijkenis met de ideeën van de founding fathers, elke gemeenschappelijke reflex op de wortels van de Europese Unie zal verdwijnen.

De enige manier om aan verlamming te ontkomen is de ontwikkeling van een kern-Europa van landen die simpelweg een stap verder gaan met integratie dan de rest. In die geest was de invoering van een Europese munt bedoeld, die straks in 1999 zou moeten worden ingevoerd volgens het Verdrag van Maastricht. Of het daar nog van komt, is inmiddels zeer de vraag. Er zijn bezwaren gerezen, er is koudwatervrees bij enkele landen die te veel eigen soevereiniteit moeten prijsgeven en menigeen stelt vast dat één munt eigenlijk niet zo nodig is om een interne markt te bevorderen, hetgeen overigens technisch juist is.

Daar komt nog iets bij: voor een deel van het publiek in de Europese landen wordt de Europese eenheidsmunt gezien als ook een soort globalisering, dus als ook een soort koude wind uit het buitenland. De monetaire unie verlangt immers lagere overheidstekorten en staatsschulden en in een tijd van groeiende werkloosheid valt dat slecht bij het publiek. Dan dient zich het beeld aan van landen waar elites alleen nog maar globalisering in hun hoofd hebben, terwijl de burgers met hun voeten in de modder van de kleine alledaagse noden staan. Die discrepantie heeft zich bij referenda over het Verdrag van Maastricht al voorgedaan - een beetje geoefend televisiekijker kon bij de straatinterviewtjes in Parijs aan kleding en kapsel destijds al zien of het hier om een voorstander of tegenstander van het Verdrag van Maastricht ging.

Het uitblijven van de monetaire unie kan men gemakkelijk relativeren of bagatelliseren. Inderdaad, de handel in Europa gaat ook zonder euro, de Deutschmark is een adequaat betalingsmiddel, de Europese Unie heeft in het verleden wel vaker tegenslagen beleefd. Vooruitgang in de Gemeenschap had altijd al iets van een Echternacher processie: twee stappen vooruit, een achteruit. Het heeft geen zin sneller te willen hollen dan de burgers in de lidstaten in meerderheid wenselijk achten, want dat werkt als een boemerang. De ervaring met eerdere grote plannen bijvoorbeeld voor een defensieunie of voor een monetaire unie in het begin van de jaren zeventig - het zogenaamde Plan-Werner - hebben dat geleerd. “Alles heeft zijn tijd nodig”, klinkt het wijs en geruststellend.

Toch is het minder geruststellend dan dat zo op het eerste gezicht lijkt. Een lange fase van twijfel en stagnatie, van eurosclerosis, doet zich dit keer voor in een periode van revolutionaire verandering. Vroeger betekende stagnatie gewoon stagnatie. De Europese gemeenschap werd onderwijl bij elkaar gehouden door een vijandige Oosteuropese buitenwereld. Nu worden die Oosteuropese landen straks lid en staan politieke en economische giganten en concurrenten in Azië op. Zonder economies of scale in een politiek en economisch slagvaardige omgeving dreigt tegenover die buitenwereld een tragische neergang. Politieke zwakte in Europa is op dit moment daarmee een regelrechte bedreiging van de welvaart. Des te tragischer is het wanneer sommige politici van links en rechts de kiezers aanpraten dat ze het slachtoffer zijn van globalisering, van de Europese eenwording, van het grootkapitaal of van de armoede en de lage lonen in Azië. Als Europeanen in het klassieke EG-gebied ergens het slachtoffer van kunnen worden dan is het van de verstarring die zich voordoet in de nationale staten, van het gebrek aan dialoog tussen elite en burgerij.

Wil globalisering niet het effect van een onzichtbare hand hebben of als een wals de sociale markteconomieën van Europa platrijden, wil de opkomst van Azië niet tot relatieve verarming en tot sociale rancune leiden dan heeft het Westen vitale overheden nodig, die op adequate schaal kunnen reageren en sturen. Daar ligt de betekenis van de tot nu toe vrijblijvende Transatlantische Agenda. Maar zoals Lessing zijn Nathan al liet zeggen en zoals onder menige conferentie-tekst eigenlijk als vermaning hoort te worden geschreven: “Plechtig kletsen is gemakkelijker dan goed handelen.”