Fokker kostte staat 1,8 miljard

DEN HAAG, 16 MAART. In de wandelgangen van het ministerie van Economische Zaken werd gistermorgen op de achterkant van een rapport een ruwe berekening gemaakt van wat het openhouden van vliegtuigbouwer Fokker de staat heeft gekost. Na veel plussen en minnen kwamen de twee ambtenaren - een uur voordat minister Wijers zijn persconferentie zou geven - uit op een bedrag van 1,8 miljard gulden. Van de 3,5 miljard gulden die sinds de Tweede Wereldoorlog aan steun is verleend, is volgens hun schattingen ongeveer de helft terugbetaald.

Sinds het begin van de jaren vijftig heeft Fokker geen vliegtuig meer gebouwd zonder steun uit Den Haag. In 1953 leende de staat ruim 40 miljoen gulden aan Fokker voor de ontwikkeling van de F-27. Een succesvol toestel waardoor de vliegbouwer in totaal 104 miljoen gulden aan royalties betaalde. De opvolger, de F-28, was een minder succesvol vliegtuig waardoor er geen royalties werden afgedragen. De staat moest ruim 50 miljoen gulden afschrijven op een lening van 180 miljoen gulden.

Internationale samenwerking (Airbus/Duitse VFW, MDF-100/Amerikaanse McDonnell Douglas) kostte de Staat in totaal ongeveer 525 miljoen gulden. In 1984 besloot het eerste kabinet-Lubbers Fokker te steunen bij het ontwikkelen van de F-50 en de F-100. Den Haag maakte ongeveer 1,2 miljard gulden over op de bankrekening van Fokker.

Door in 1987 voor 210 miljoen gulden Fokker-aandelen te kopen, werden financiële problemen afgewend. Den Haag kreeg ruim zeventig procent van dit bedrag terug toen DASA een meerderheidsbelang verwierf. Twee jaar geleden kwam de voorlaatste steun. Minister Andriessen (Economische Zaken) gaf toestemming om de technologie van Fokker aan de Rabo-bank te leasen. Zijn opvolger Wijers verstrekte op 5 maart een boedelkrediet van 255 miljoen gulden, met een staatsgarantie van 155 miljoen gulden. Dat was de laatste steun-operatie. Volgens minister Wijers heeft de staat meer dan één miljard gulden in Fokker gestoken.