Emigratie

H.A.V.M. VAN STEKELENBURG:

Hier is alles vooruitgang. Landverhuizing van Noord-Brabant naar Noord-Amerika, 1880-1940

229 blz., geïll., Zuidelijk Historisch Contact 1996, ƒ 49,-

Een paar jaar geleden promoveerde de historicus Van Stekelenburg op een dissertatie over de Brabantse emigratie naar Noord-Amerika tijdens de jaren 1820-1880. Hier is alles vooruitgang is het vervolg, of liever een eerste vervolg, van dat proefschrift, want na lezing van deze grondige maar wat saaie studie ziet men uit naar de periode van na de Tweede Wereldoorlog toen de emigratie dramatische vormen aannam. Brabant behoorde in alle tijden tot de provincies met een laag emigratiecijfer, maar het intermezzo 1880-1940 heeft wel heel weinig landverhuizers tot de grote oversteek doen besluiten: niet meer dan 5000. Op de 'klei' van Friesland en Groningen was dat aantal wel 20 maal groter.

Er was reden genoeg om het geluk elders te zoeken. De Europese landbouwcrisis aan het einde van de negentiende eeuw bedreigde het bestaan van vele boeren, en Amerika bood de emigranten goedkope grond en grote afzetmarkten voor hun produkten. Van Stekelenburg weet echter aannemelijk te maken dat er meer komt kijken om mensen huis en haard te doen verlaten dan malaise op eigen erf en een schone toekomst in de verte. Anders dan veel van zijn vakgenoten die de culturele antropologie te hulp zouden roepen om de honkvastheid van de Brabanders te verklaren, zoekt deze historicus steun bij de sociale psychologie, die het handelen van mensen afhankelijk stelt van de aansporingen en ontmoedigingen die belangrijke omstanders uitdelen. Hij heeft zich dan ook uitvoerig verdiept in de correspondentie die de voortrekkers in Amerika onderhielden met de achterblijvers. En al waren er bij die 'alles hier vooruitgang' noemden, er waren veel emigranten die achteraf aan de juistheid van hun beslissing twijfelden. De titel van het boek is nauwelijks representatief voor de stemming onder de nieuwe Amerikanen. Ook van invloed was dat woordvoerders van kerk en overheid, en van de opkomende standsorganisaties in Brabant, op zijn zachtst gezegd sceptisch stonden tegenover emigratie als middel voor persoonlijke lotsverbetering.

Toch vertrokken die enkele duizenden Brabanders, vooral boeren, en voornamelijk afkomstig uit twee regio's: Noordoost-Brabant, de streek rondom Uden en Oss, en uit het land van Heusden en Altena in het westen. Het oostelijke gebied verscheepte katholieke landverhuizers, het westelijke protestantse. Ze gingen niet naar de 'frontier', maar veelal naar de staten die net opengelegd waren door het spoor. In Wisconsin, Michigan en Iowa in de Verenigde Staten verrezen plaatsjes die 'Hollandville' of 'Breda' heetten. Maar ook in Canada werden, vaak met actieve deelneming van de spoorwegmaatschappijen, mensen geworven voor de ontginning van de onmetelijke vlaktes in het westen. Voor de eeuwwisseling vertrokken de meesten en famille, daarna gingen velen op eigen houtje. Maar ook voor die laatsten blijken contacten met familieleden of dorpsgenoten die eerder vertrokken waren vaak doorslaggevend te zijn geweest. Velen die niets te verliezen hadden bleven in het oude land, en welgekozen woorden over Amerika in een brief of lezing konden wonderen doen, ook bij mensen die ogenschijnlijk geen redenen hadden om te vertrekken.

Een bijzondere verleiding vormde de propaganda voor religieuze kolonisaties. Onder aanvoering van een priester of ouderling vertrokken zo een paar honderd bezielden om een nieuwe samenleving gestalte te geven. De meesten van die Brabanders werden even hard bedrogen door hun geestelijke herders als hun zakelijker ingestelde landgenoten door de Canadese spoorwegen of andere agenten. Pastoors streken de premies van de Canadese immigratiedienst op, en lieten hun kudde, van wie de meesten geen woord Engels spraken, in de steek.

Van Stekelenburg heeft het hoe en waarom proberen te achterhalen van wie de oplichters, en de koude en droogte in het niet meer zo Wilde Westen trotseerden. Dat levert een verslag op dat zich soms in huishoudelijke pietluttigheden verliest, maar daardoor de lezer er steeds aan herinnert dat achter zulke aggregaties als 'migratiestromen' doodordinaire beslommeringen schuilgaan. Hopelijk completeert de schrijver het geschiedbeeld met een derde en laatste deel over Brabanders in den vreemde.