El Dorado

“De drank is niet gratis”, fluisterde de Russische vertaler in het Engels tegen mij. Ik keek. Inderdaad: de drank was drie gulden en we hadden allebei niets. Men had natuurlijk niet gerekend op scholieren en buitenlanders.

“Het eten is ook niet gratis”, fluisterde ik terug.

“What shall we do?”, vroeg hij.

“Laten we maar eens kijken”, zei ik, “wie weet is er nog een sympathieke uitgever die iets over heeft voor jonge talenten.”

Een sympathieke uitgever vonden we niet. Wel een gereformeerde jongeman met een klein beetje geld. “Dit is mijn vriend Wanja”, zei ik, “hij vertaalt onbekende dichters uit het Russisch en schrijft er muziek bij.”

“I hope you can understand”, zei Wanja, “ik heb net al mijn geld naar Rusland gestuurd. We hebben daar niks. Geen eten, geen kleren, geen boekenbal. Mijn vertalingen schrijf ik op papier dat ik maak van wilde varens. Een lang en moeilijk proces.”

“Misschien valt er hier wat mee te beginnen”, zei de jongeman. “Papier wordt met de dag duurder, moet u weten.” Hij kocht voor ons Crodino en wijn en vertelde ons over zijn leven.

Al gauw was het geld op.

“Ga mee naar boven”, zei onze gereformeerde vriend, “dan beklimmen we de schouwburg.”

De Russische vertaler had een ondernemende geest. Hij opende twee of drie deuren met 'verboden toegang' erop, liet ons langs ijzeren trapjes en door donkere gangen lopen, drong erop aan dat we het hele gebouw zouden onderzoeken. “It's important to go where you are not allowed to go”, zei hij.

Dus we klommen tot de vierde verdieping. Ver weg hoorden we nog Pearl Jam en flamengomuziek.

“Wauw”, zei de jongeman. “Hier is helemaal niemand.”

“Yes”, zei de Russische vertaler, “yes yes yes! Put on the lights please.”

We stonden in de koffiekamer achter het derde balkon.

“Look at this.” Hij opende een ijskast. Het leek een kinderdroom. De kast was gevuld met Haägen-Dasz ijs in alle smaken, 'gemaakt met uitsluitend natuurlijke ingrediënten'. We vergrepen ons aan het ijs, aten uit drie bekers tegelijk, scheurden de repen open tot we barstten.

Omdat we geen van drieën echt kinderen meer waren, was voor ons het geluk nog niet ten einde. In de volgende ijskast vonden we vier flessen witte wijn, drie flessen sherry, twee kratten bier en één onaangebroken fles jonge jenever.

“Dat lijkt op wodka”, wees ik. De Russische vriend pakte een borrelglaasje. “I like this Boekenbal”, zei hij.

“Jongens, wacht even”, zei de gereformeerde jongeling. “Waarom bewaren we alles voor onszelf? Er is toch veel te veel.”

Hij had gelijk. We hadden nog niet eens een kwart van het ijs opgegeten. “Let's take this”, zei de Rus, en pakte een dienblad uit de keuken. We laadden het blad vol bekers en repen en verlieten weer de koffiekamer. De fles jenever namen we mee.

Wie zei dat de handelsmentaliteit was voorbehouden aan calvinistische Hollanders? Mijn twee vrienden en ik voelden hoe ons bloed sneller begon te kloppen. De eerste ijsjes werden ons bijna uit de handen gerukt.

“It's for the Russian children”, zei mijn Russische vriend tegen de balgangers, en de jongeman legde uit dat het ijs voor de helft van de winkelprijs werd aangeboden door Haägen-Dasz ter gelegenheid van de 61ste boekenweek. De mensen knikten, lachten, waren dankbaar en gelukkig, en betaalden drie gulden per beker. Of, als het zo uitkwam, iets meer.

De rest van de avond renden we heen en weer tussen de magische koffiekamer en het magische boekenbal. We verdienden op één literaire avond ongeveer tweehonderd gulden. Maar, lieve schouwburgdirectie, staken wij het geld in onze eigen zak? Nee.

Na nog een nacht wild feesten, begroeven we de buit, op een paar passen van de schouwburg, met de belofte volgend jaar gedrieën terug te komen en het hele Boekenbal lang alleen maar oesters te eten. “Een materialist ben ik wel”, zei de gereformeerde jongeman, “maar de cultuur is me toch heilig.”

“Well”, zei de Russische vriend, “ik moet nu terug naar mijn geboorteland, maar het was een groot genot.”

“Voor mij ook”, zei ik. “Kapitalisme is genot.”

En zo scheidden onze wegen.