Eerbiedwaardige Indiase klanken vergen veel geduld

Concert: Z.F. Dagar en Uday Bhawalkar (vocaal), Pushparaj Koshti en Bahauddin Dagar (snaren) en Manik Munde (percussie). Gehoord: 15/3 Vredenburg, Utrecht. Verder: 16/3 Tropeninstituut, Amsterdam, 17/3 Doelen, Rotterdam en vervolgens Groningen, Den Haag en Nijmegen.

'Verboden te roken' zeggen de bordjes boven een hevig walmend potje wierook op het podium. Er gebeurde gisteren in de kleine zaal van Vredenburg wel meer dingen die eigenlijk niet mochten. Zoals klappen na afloop of zelfs tijdens de muziek, door organisator John Eijlers dringend ontraden om de sfeer van het hogere niet te bederven. Ook verlieten sommigen al voor het zingen de kerk, misschien omdat de geur van heiligheid hen wat al te zwaar werd.

Het kan ook zijn dat ze genoeg hadden gehoord want de instrumentele raga voor de pauze duurde bijna vijf kwartier zonder dat het tempo ook maar een seconde boven medium was uitgekomen. De bezetting was er daarbij niet in geslaagd de suggestie te wekken dat de tijd eigenlijk sneller ging, laat staan dat hij vloog. De bas-sitar met de naam surbahar sprankelde minder dan zijn bekende broertje, de oeroude, zevensnarige rudra-veena kwam in de handen van Bahauddin Dagar niet echt tot leven terwijl de dubbelvellige pakhawaj-trommel als een wat lompe variant van de tabla klonk.

De eerbiedwaardige Klank van de Dhrupad is de ondertitel van dit item uit de serie India-muziek en de folder licht dat toe:

'Dhrupad is een statige zangstijl die voortkomt uit nauwgezette recitatie van heilige Sanskrietverzen'. Hoe statig en heilig dat is, blijkt na de pauze wanneer Zia Fariduddin Dagar (64) en zijn leerling Uday Bhawalkar, de laatste docent aan het Rotterdams conservatorium, alle tijd van de wereld nemen om duidelijk te maken dat zingen meer is dan één, twee en hup.

Het eerste kwartier zingen zij zo zacht en voor zichzelfdat de begeleiding er zonder moeite bovenuit komt. De met pluizig wit haar getooide Dagar klinkt als een introvert stamelende bedelaar, Bhawalkar precies zoals hij eruit ziet; als een maagdelijke koorknaap met talent, elke noot glanzend glad en precies op zijn plaats.

Naarmate de dialoog voortschrijdt - tergend langzaam, want ook heiligheid kent geen tijd - verschuift gaandeweg het initiatief. De leerling wordt moe en laat het erbij zitten, de baas grijpt als een ouwe taaie tactisch zijn kans. Sprekende contrasten, daar gaat het om en dan maakt het niet uit dat je soms even uitschiet of dat er een rafelrandje aan je stem zit. Leeft de klassieke Indiase muziek nog echt of rekt hij slechts kunstmatig zijn leven? Wie het weten wil moet in elk geval één ding opbrengen: heel veel geduld.