Een pijnlijke apologie

J.P. GUÉPIN:

De vader van Jezus en andere smadelijke teksten

208 blz., Van Gennep 1996, ƒ 49,90

Jan Pieter Guépin werd geboren op 25 april 1929, studeerde klassieke talen te Amsterdam, werkte als archeoloog in Afghanistan, was meer dan een decennium als wetenschappelijk onderzoeker verbonden aan het Koninklijk Penningkabinet, doceerde een blauwe maandag Algemene Literatuurgeschiedenis in Groningen, en werd daarna lector Vergelijkende Literatuurwetenschap te Leiden totdat hij voortijdig pensioen kreeg. Sindsdien bracht hij zijn tijd niet in ledigheid door. Nadat in 1983 al het omvangrijke werk De beschaving was verschenen, kwam er een een vloed van grote en kleine boeken, waaronder De kunst van Janus Secundus (1991), Weg met de bohème (1992), Het humanisme (1993), Het verschil van mening (1994), bloemlezing van Neolatijnse poëzie, een bundel Schokkende redevoeringen (1990), alsmede een gestage stroom stukken en gedichten in literaire tijdschriften zoals Hollands Maandblad en columns in kranten zoals Het Parool.

Faam

Onlangs verscheen alweer De vader van Jezus en andere smalende teksten, een compilatie van de Parool-cursiefjes, enkele gelegenheidsstukken en een antwoord aan de critici die zijn vorige werken zelden hartelijk ontvingen. In zekere zin biedt dit laatste werk in kort bestek alles waarmee Guépin een zekere faam heeft opgebouwd. Zij aan zij staan hier zijn liefde voor het Neolatijn en de humanistische traditie, zijn verbeten verdediging van de studie der klassieke talen tegenover modieuzere academische richtingen, de nogal maniëristische verbijstering over het moderne leven, een bijna rancuneuze afkeer van linkse oordelen en vooroordelen, puberale scheldpartijen (Johan Polak 'zit in de hoek van de hel voor plagiatoren'; Hans Warren heet 'pederast'; Joost Zwagerman is een 'racist'), alsmede zijn onversneden narcisme. Dat laatste doet hem niet alleen buitengemeen vaak en liefdevol naar eigen werk verwijzen, maar heeft hem ook ('na langdurige aarzeling') verleid tot een nogal pijnlijke apologie van zijn oeuvre tegenover de criticasters.

Na lezing van dit boek staat men in dubio. Dat is misschien al heel wat, maar niet genoeg om zich werkelijk gesticht te voelen. Enerzijds zou het niemand moeite kosten De vader van Jezus en andere smalende teksten af te doen als meer van hetzelfde - meer afgereden stokpaardjes, meer geposeerde burgerlijkheid, meer effectbejag en meer pogingen van een heer op leeftijd om met reeds eerder - en soms in identieke bewoordingen - gehanteerde stijlfiguren (gimmicks, zou je bijna zeggen) een klein beetje opzien te baren.

Anderzijds kan men ook de hinderlijke ruis in de bundel laten voor wat hij is, en de aandacht richten op de paar teksten die het columnisme ontstijgen. Zo is bijvoorbeeld de al eerder gepubliceerde redevoering uit 1983 die heet te gaan over 'heros' (held) Herodes (bekend als de kindermoordenaar), maar in feite een breed meanderend betoog biedt aangaande de tegenstelling tussen de tragische mythen van de Grieken en de martelaars-mythen van het christendom. Guépin betoogt dat de Grieken in de culten met betrekking tot hun heroën de menselijke bloeddorst ritualiseerden in de vorm van offers, en artistiek vertaalden in hun tragedies. Daarmee werd de toorn en moordlust van heroïsche figuren zoals Oedipus, Orestes en Medea verzoend, ter voorkoming van dergelijke misdaden in de eigen tijd en ter versterking van het gemeenschapsgevoel. Het christendom verving die heidense riten door de boodschap van universele liefde en martelaarschap, maar daarmee onontkoombaar ook door de boodschap van bloedwraak, hel, verdoemenis en sektevorming.

Het is een interessant betoog, dat hier en daar ook tot tegenspraak noopt. Zo wordt de Atheense tragedie door Guépin misschien wat tekort gedaan als intellectuele prestatie, zowel van auteurs als publiek, die met z'n tienduizenden tezamen drie dagen achtereen de door een jury uit een waslijst van inzendingen uitverkoren stukken verteerde. Maar in ieder geval gaat dit stuk ergens over, en Guépin is nu eenmaal veel beter te genieten wanneer hij iets probeert uit te leggen, dan wanneer hij tracht te epateren. Onder dat juk van geforceerd amusement zucht ook het (eveneens reeds eerder gepubliceerde) titelverhaal over de afkomst van Jezus. Aan de hand van enkele luchtige sprongen door het bronnenmateriaal zou die heel goed, zo luidt het, een bastaardzoon kunnen zijn van de Romeinse soldaat Panthera, van wie het grafmonument is gevonden nabij Bad Kreuznach aan de Rijn. Wel grappig gevonden, maar ook nogal incoherent opgeschreven en wat toon betreft erg toegesneden op het publiek dat in 1989 in Paradiso kwam luisteren naar 'Sceptici over de Schrift'.

Niet soepel

Het probleem is - en dat blijkt eens te meer uit deze bundel - dat Guépin gewoon niet soepel genoeg schrijft om met verbositeit alleen staande te blijven. Meer dan eens is het moeilijk enig verband te vinden tussen de niet zelden onhandig geformuleerde zinnen, en het is dan ook geen toeval dat menige zin plompverloren z'n eigen alinea vormt. Iemand die de retorica zo na aan het hart ligt, en in de klassieke welsprekendheid een voorbeeld ziet, kan niet trots zijn op formuleringen zoals: “Als we het Israël uit de tijd van Jezus met de ogen van die tijd willen beoordelen, moeten we de indertijd beste maatstaf gebruiken, die van de Griekse beschaving”.

Guépins kracht ligt kort gezegd in zijn kennis, niet in zijn stijl. Hopelijk kan de lezer zich in het laatste grote werk dat volgens zijn eigen zeggen op stapel staat, De poëzie, laven aan die kennis, want na dit boek blijft hij met een knagend en onvoldaan gevoel achter.