Drie eeuwen stuivertje wisselen

KATERINA CLARK: Petersburg, Crucible of Cultural Revolution

377 blz., Harvard University Press 1995, ƒ 74,95

TIMOTHY J. COLTON: Moscow, Governing the Socialist Metropolis

939 blz., geïll., The Belknap Press of Harvard University Press 1995, ƒ 83,80

ROBERT W. ORTTUNG: From Leningrad to St. Petersburg, Democratization in a Russian City

332 blz., Macmillan 1995, ƒ 106,05

SOLOMON VOLKOV: St. Petersburg, A Cultural History

598 blz., geïll., The Free Press 1995, ƒ 60,50

Hoe komt het dat er plotseling gelijktijdig enkele boeken over Moskou en Petersburg verschijnen? De laatste stad vermocht mensen vroeger alleen te interesseren vanwege de kunst, terwijl Moskou uitsluitend werd gezien als het politieke centrum van de Sovjet-Unie. Maar de ontwikkelingen van de laatste paar jaar hebben de beide Russische hoofdsteden een kloppend hart teruggegeven en ook veel nieuwe informatie toegankelijk gemaakt.

Moskou was van ouds het centrum van Rusland, maar in 1703 keerde Peter de Grote de gehate stad met zijn traditionalisme en geïntrigeer de rug toe. Hij stichtte een nieuwe hoofdstad op de zompige plek waar de Neva in de Oostzee stroomt. De adel diende hem maar te volgen. Moskovië werd het Russische Rijk. Moskou liep leeg en raakte in verval. Als 'raam van Europa' moest Sint Petersburg Rusland opstoten in de vaart der volkeren. Model stond Amsterdam, dat Peter op zijn reizen had bezocht. Maar de meeste grachten werden spoedig weer gedempt en behalve de alomtegenwoordigheid van het water heeft het imperiale Petersburg weinig gemeen met de burgerstad aan het IJ.

Peter liet de moerassen droogleggen als fundament van de nieuwe stad. De mythe van Sint Petersburg ontstond, waarin Peter de natuur onderwerpt en uit het niets een schitterende hoofdstad schept. De mythe had een keerzijde, die in de negentiende eeuw zelfs de overhand kreeg. Peter had gepoogd de natuur te temmen ten koste van honderdduizenden slachtoffers; het resultaat was een ongezond klimaat en herhaaldelijk vernietigende overstromingen.

De overstroming van 1824 inspireerde Alexander Poesjkin tot zijn poëem De bronzen ruiter, waarin beide kanten van de mythe een plaats kregen. De hoofdpersoon weet zich ternauwernood te redden, maar verliest zijn geliefde in het kolkende water van de Neva. Gek van verdriet heft hij in een machteloos gebaar van verwijt zijn vuist op tegen het beroemde ruiterstandbeeld van Peter van de hand van Falconet, en wordt dan in zijn verbeelding in een surrealistische scène door nachtelijk Petersburg door de bronzen ruiter achtervolgd, tot hij uitgeput voor het huisje van zijn geliefde bezwijkt. Poesjkin confronteert de lezer met Ruslands eeuwige dilemma: het staastsbelang versus het lot van het individu. De balans pleegt in Rusland door te slaan in het voordeel van de staat, maar Poesjkin kiest niet. Hij verheerlijkt Peter, maar toont compassie voor de slachtoffers van zijn projecten.

In St.Petersburg, A Cultural History laat de geëmigreerde Petersburgse musicoloog Solomon Volkov zien hoe de mythe steeds van inhoud verandert. In de achttiende eeuw overheerst het positieve beeld, Poesjkin is genuanceerd, daarna beschrijven negentiende-eeuwse klassieken als Gogol en Dostojevski Petersburg louter negatief, als de kunstmatige en kille stad van de ongenaakbare bureaucratie, ten dode opgeschreven. Maar tegen de eeuwwisseling constateert Volkov een omslag. De kunstcriticus Alexander Benois herontdekte de architectonische schoonheid van Petersburg. Er vond een opleving plaats in muziek, ballet, opera, beeldende kunst, toneel, poëzie: het 'zilveren' tijdperk. Sommigen, als Stravinsky, Balanchine, Nabokov en later Brodsky, namen de Petersburgse cultuur mee de wijde wereld in. Al is de mythe niet zo uniek als Volkov voorgeeft, hij heeft er een mooie kapstok in gevonden voor een geschiedenis van de Petersburgse cultuur. Helemaal vrij van dweepzucht is hij niet. Ook heeft hij de neiging iedereen die maar iets met Petersburg te maken heeft gehad, bij zijn cultuur in te lijven.

Socialistische stad

Begin twintigste eeuw was Petersburg uitgegroeid tot een Europese metropool met 2,5 miljoen inwoners, een industriestad evenals een mondain uitgaanscentrum. De revolutie maakte hier een einde aan. Toen Lenins regering in 1918 terugkeerde naar Ruslands oorspronkelijke hoofdstad, was de rol van Peters schepping na ruim twee eeuwen uitgespeeld. Het communistische bewind had een afkeer van de tsarenstad aan de Oostzee, die nu van het zilveren terugviel in het bronzen tijdperk. Omgenoemd in Leningrad kreeg zij te maken met de communistische terreur en de nog vernietigender Duitse blokkade tijdens de Tweede Wereldoorlog. Door toedoen van vooral de dichter Anna Achmatova kreeg zij volgens Volkov nu de rol van martelaar. Deze nieuwe mythe zou vervolgens zijn uitgedragen door Sjostakovitsj, wiens Zevende symfonie in de ogen van Volkov - geheel in de geest van de door hem opgetekende, omstreden memoires van de componist - een protest was tegen zowel Hitler als Stalin.

In de eerste jaren na 1917 bleef de voorrevolutionaire avant-garde nog een rol spelen, al stond zij volgens Volkov sterk onder druk van het regime. Een 'revisionistische' voorstelling geeft Katerina Clark, slavist aan Yale University. In Petersburg, Crucible of Cultural Revolution betoogt zij een beetje dikdoenerig dat het bolsjewistische regime de intellectuele en culturele elite niet louter onderdrukte, maar bij het creëren van de stalinistische cultuur ook veel van haar overnam, en dat het haar, aan banden gelegd, een geprivilegeerde positie gaf in het nieuwe systeem. Over Petersburg gaat Clarks boek maar zijdelings.

Na 1918 hernam het traditionele Rusland, in de gestalte van Moskou, onder revolutionaire leiding zijn rechten. Maar de communisten traden niet alleen in de voetsporen van Ivan de Verschrikkelijke. Zoals Peter de Grote de moerassen aan de Oostzee had getemd, temde Stalin het eeuwenoude Moskou om er een 'socialistische stad' van te maken. Kerken en monumenten werden afgebroken, straten verbreed en rechtgetrokken, pleinen vergroot, gigantische beelden van Stalin en andere prominenten opgetrokken, straatnamen aangepast. Onder de stad verscheen een metro met stations als paleizen, de skyline erboven werd onherkenbaar veranderd met een reeks stalinistische wolkenkrabbers. Bij de bouw werd gebruik gemaakt van dwangarbeid. Buitenlandse architecten boden enthousiast hun diensten aan. “Het is ondenkbaar de stad van het verleden te combineren met het heden of de toekomst”: met deze woorden voelde Le Corbusier de stemming goed aan.

Als Stalin zijn zin had gekregen, was er buiten het Kremlin weinig van het historische Moskou overgebleven. Maar zijn monumentalisme was te hoog gegrepen. In het bijzonder gold dat voor het ruim 420 meter hoge Paleis van Sovjets dat als “symbool van de verworvenheden van het socialisme” op de plek van de opgeblazen Verlosserskathedraal naast het Kremlin moest verrijzen. Chroesjtsjov liet uiteindelijk in de bouwput een zwembad aanleggen.

Dit alles komt aan de orde in de tegen de duizend bladzijden tellende pil Moscow, Governing the Socialist Metropolis. Timothy Colton, directeur van het Russisch onderzoekscentrum van Harvard University, laat in zijn op grondige studie gebaseerde, goed geschreven moderne geschiedenis van Moskou weinig details van de periode van na 1917 buiten beschouwing. Zijn aanpak is nogal politicologisch-sociologisch. Voor het lokale bestuur gebruikt hij in plaats van het ingeburgerde totalitarisme het begrip disjointed monism. Daarin is evenmin plaats voor politiek pluralisme, maar wel voor concurrentie tussen departementen. Bij zijn behandeling van de gemeenteraadsverkiezingen in de jaren '90 leidt hij de lezer wel heel uitgebreid in de keuken rond; dat past meer bij een detailstudie dan bij een overzichtswerk.

Petersburg, Moskou en andere Russische steden hebben zich nooit de zelfstandige positie jegens het landsbestuur kunnen verwerven van Westerse steden. Pas eind negentiende eeuw kregen zij beperkte autonomie en ontstond er zoiets als een civil society. De revolutie van 1917 maakte hieraan een radicaal einde.

Maar Colton laat zien dat autocratie geen efficiënt bestuur garandeerde. Voor de grote-stadsproblemen was geen oplossing. Ondanks een stringent bedoeld registratiesysteem kreeg Moskou een gigantische bevolkingsgroei te verwerken, van 1 miljoen in 1920 (een halvering vergeleken bij de vooravond van de revolutie) naar 9 miljoen in 1991. De woningbouw strompelde er ver en kwalitatief inferieur achteraan, met schrikbarende woonomstandigheden als gevolg. De gemiddelde woonruimte per persoon, in 1940 4,1 vierkante meter, was in 1985 toegenomen tot slechts 11,4 vierkante meter. Tot op de dag van vandaag moeten getrouwde echtparen de slaapkamer vaak delen met ouders en/of kinderen. De ideologische voorkeur voor communale woningen maakte het er niet beter op. Het beleden gelijkheidsideaal werd maar zeer ten dele gevolgd, en de nomenklatoera beschikte over zowel betere woningen als andere privileges. De 'socialistische modelstad' (zoals Brezjnev Moskou noemde) kent ook een zeer ernstige milieuvervuiling, vooral in het proletarische zuidoosten met zijn walmende fabrieken. Het stadsverkeer functioneert alleen met overvolle en brandgevaarlijke metrowagens en bussen, en wegen die het toenemende aantal auto's steeds slechter kunnen verwerken.

Tweederangs stad

Na de revolutie ruilden Moskou en Petersburg/Leningrad van plaats. De nieuwe hoofdstad werd nu gezien als 'kunstmatig' en de ander juist als trouw aan de traditie. Met zijn vijf miljoen inwoners verviel Leningrad in de afgelopen decennia tot een tweederangsstad met een reactionair politiek klimaat. Het raam op Europa werd stevig dichtgetimmerd. Maar eind jaren '80 ging het weer open en in 1991 kreeg de stad de naam Sint Petersburg terug. Ook in Moskou zocht men onder Gorbatsjov en de lokale partijchef Jeltsin weer aansluiting bij de traditie. Verkiezingen in 1990, waarbij voor het eerst echt iets te kiezen viel, leidden in beide hoofdsteden tot een democratische meerderheid in de stadssovjet, en in 1991 werden de verse sovjetvoorzitters Gavriil Popov en Anatoli Sobtsjak tot burgemeester gekozen. Maar om de steden effectief democratisch te besturen bleek een stuk lastiger. De sovjets leken meer op discussieclubs en het kostte de democraten grote moeite het ergens over eens te worden.

In Moskou gooide Popov al na een jaar, moegestreden tegen eerst het communistische partij-apparaat en daarna zijn mededemocraten in de sovjet, het bijltje erbij neer, om plaats te maken voor de hervormingsgezinde apparatsjik Joeri Loezjkov. Die weet dingen voor elkaar te krijgen. Het centrum van Moskou gonst van de bouwactiviteit, met als hoogtepunt de vele miljoenen kostende reconstructie van de onder Stalin afgebroken Verlosserskathedraal. Hij heeft zich in de hoofdstad een sterke politieke en economische machtsbasis gecreëerd, wat in het huidige Rusland al gauw beschuldigingen van connecties met de mafia met zich meebrengt. Het disjointed monism, stelt Colton naar aanleiding van deze ontwikkelingen vast, is verdwenen, maar er is geen democratisch pluralisme voor in de plaats gekomen. Hij ziet geen representatief meerderheidsbestuur maar een harde machtsstrijd waarin de belangen van het publiek op de tweede plaats komen. Aan Coltons juiste conclusie kan men toevoegen dat Loezjkov bij de Moskovieten ongekend populair is.

Sobtsjak, die in augustus 1991 moedig en zelfverzekerd de putsch-poging weerstond, raakte daarna in Petersburg in een uitzichtloze concurrentiestrijd verwikkeld met de democratische stadssovjet die hem zelf naar voren had geschoven, omdat daadwerkelijk besturen hem onmogelijk werd gemaakt. In From Leningrad to St. Petersburg wijt Robert Orttung het feit dat het democratiseringsproces in de “meest democratische der Russische steden” onvoldoende naar wens verloopt, vooral aan Sobtsjak, al erkent hij ook de tekortkomingen van de democraten in de gemeenteraad. Als burgemeester heeft Sobtsjak volgens Orttung te veel macht naar zich toegetrokken en confrontatie in plaats van samenwerking gezocht met de gemeenteraad. De auteur meent dat de democratisering meer is gediend met een leidersfiguur die in staat is coalities te sluiten. De ideale leider, kan men hiertegen inbrengen, moet in Rusland nog opstaan. Al zijn Moskou en Petersburg eilanden in vergelijking met de Russische provincie, de hervormingen verlopen ook hier gebrekkig en democratie en markteconomie zijn er verre van verankerd. Toch ziet Colton tekenen van vooruitgang, maar langzaam en moeizaam. Als de Moskovieten de ruimte krijgen en mits onder het juiste leiderschap, kunnen ze volgens hem een heel eind komen.

Moskou viert volgend jaar zijn 850-jarig jubileum, begin volgende eeuw bestaat Petersburg 300 jaar. Aan verleden geen gebrek, maar de toekomst blijft onzeker. Er zijn positieve ontwikkelingen: een herwaardering van de traditie, commerciële activieit, openheid, het begin van een civil society, maar het gaat gepaard met een toenemende kloof tussen arm en rijk, criminaliteit, monumentenverwaarlozing, verkeersproblemen. “Waar jaag je heen, vermetel dier, En waar belanden eens je hoeven?” vroeg Poesjkin zich in De bronzen ruiter af. Het antwoord is nog even ongewis als anderhalve eeuw geleden.