De WAO keert terug maar nu als Pemba

In de politiek staat een nieuwe discussie over de AAW en de WAO op uitbarsten. Dus over respectievelijk de volksverzekering en de werknemersverzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Dat is altijd goed voor een broeierige sfeer, botsende ideologieën en vrees onder politici voor boze maatschappelijke reacties.

Het kabinet studeert op een nieuw voorstel, nadat zijn vorige op heftige kritiek is gestuit van onder anderen de Raad van State. Kritiek die sommige partijen wel goed uitkwam; vandaar dat zij zo serieus wordt genomen. Het wetsvoorstel dat in het geding is, wordt kortweg aangeduid met Pemba. Pemba maakt deel uit van de geheimtaal waarin betrokken deskundigen - zoals Kamerleden - met elkaar plegen te overleggen. Zo klinkt dat: Is Pemba wel nodig na Wulbz en moeten we niet juist met Amber een stap verder gaan? Heb je gehoord dat de Raad van State deze week Waz en Wajong ook heeft afgekraakt? Dit gaat allemaal over ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Pemba staat voor premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Meest omstreden is de vraag in hoeverre de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid kan worden overgelaten aan de particuliere markt, onder de voorwaarde dat de overheid het niveau van de uitkering wettelijk voorschrijft. Is het mogelijk een publiek stelsel en een privaat stelsel naast elkaar te laten bestaan? Het advies van de Raad van State komt er op neer dat dit niet kan op de wijze die het kabinet voor ogen stond.

Maar ten minste zo interessant is dat volgens de Raad van State een ander onderdeel van de voorstellen, de premiedifferentiatie, wel 'in beginsel een begaanbare weg is'. Anders dan de WAO-besluiten van het vorige kabinet gaat het ditmaal niet om de financiële positie van de arbeidsongeschikten zelf. Pemba laat de duur en de hoogte van hun uitkeringen onaangetast. Het zijn de premiebetalers die de geldelijke gevolgen van het kabinetsplan zullen ondervinden. Alle werknemers en werkgevers dus, alsmede de overige belastingbetalers. Sommigen gaan erop vooruit, anderen achteruit.

Nu is er tussen de bedrijfstakken geen verschil. Iedereen betaalt een landelijk vastgestelde premie, zij het dat de berekening daarvan omslachtig is. Werknemers betalen voor de AAW over de eerste 7.003 gulden die ze per jaar verdienen geen premie. Vervolgens betalen ze 6,7 procent over een inkomen tot maximaal 45.325 gulden per jaar. De WAO-premie wordt per werkdag berekend. Over de eerste honderd gulden betaalt de werknemer geen premie; daarna 7,95 procent over maximaal 289 gulden per dag. Voor 1996 geldt dat een werknemer over het hele jaar maximaal ruim 3.900 gulden aan WAO-premie kwijt kan zijn.

Deze uniformiteit verdwijnt volgend jaar, als het kabinet zijn zin krijgt. Dan zullen premiepercentages en dus de bedragen per bedrijfstak en daarbinnen per bedrijf gaan verschillen. AAW- en WAO-premie worden goeddeels in elkaar geschoven en ze komen straks bovendien geheel voor rekening van de werkgever. Voor de werknemer maakt dit niet zoveel verschil: net als nu worden de premies gewoon van zijn bruto-loon afgetrokken.

Maar de bouwvakker zal wel merken dat de arbeidsongeschiktheidspremie die van zijn loon afgaat, heel wat hoger is dan bij de bankemployé. Zoals de werkgever van een stuurman in de koopvaardij een veel hogere premie zal moeten betalen dan een uitgever voor zijn grafisch personeel. Dit is het gevolg van premiedifferentiatie. Verschillen die ook bij CAO-onderhandelingen een rol gaan spelen; vakbonden zullen willen voorkomen dat werknemers er netto op achteruit gaan.

Afhankelijk van het te kiezen systeem zullen de premieverschillen groter of kleiner zijn. Waarschijnlijk kiest het kabinet ervoor de differentatie alleen in te voeren voor de premies waarvan de uitkeringen van nieuwe arbeidsongeschikten worden betaald. Om al te extreme verschillen tussen de bedrijfstakken te voorkomen, zal bovendien een deel van deze kosten toch via een landelijke premie worden betaald.

Maar de premies gaan hoe dan ook per bedrijfstak variëren. Bovendien zullen er binnen een bedrijfstak verschillen zijn tussen de bedrijven onderling. Bedrijven waarvan relatief weinig werknemers arbeidsongeschikt worden, zullen een premie betalen die onder het voor de bedrijfstak vastgestelde gemiddelde ligt; in het omgekeerde geval zal de premie juist hoger zijn. De premiedifferentiatie werkt zo ongeveer als de no-claimkorting voor automobilisten. De autobestuurder die brokken maakt en zijn verzekering inschakelt, is vervolgens een hogere premie kwijt. Tenzij hij zelf de schade betaalt. De werkgever die een werknemer naar de WAO afstoot, zal vervolgens worden geconfronteerd met een hogere premie. Tenzij hij de (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte in dienst houdt en hem dus zelf betaalt.

Vooral de bouw, een risicovolle bedrijfstak, maakt bezwaar tegen de premiedifferentiatie. In het orgaan 'Bouwnieuws' van de bouwwerkgevers werd het kabinetsplan een 'ernstige bedreiging' genoemd. De vrees bestaat dat de premie voor de verzekring van arbeidsongeschiktheid in de bouw zal verdubbelen. In geld uitgedrukt: een lastenstijging voor deze bedrijfstak van 1,66 miljard gulden per jaar naar 3,5 miljard.

Niet alleen de bouwwerkgevers en hun werknemers zullen de gevolgen van de premiedifferentatie ondervinden. Want de lastenverzwaring zal zonder twijfel aan de consument worden doorberekend. Zo heeft het nieuwe WAO-systeem een onvermoed gevolg: huizen worden duurder en verbouwingen ook. Voor de consument rest de hoop dat deze prijsstijgingen voldoende zullen worden gecompenseerd. Bijvoorbeeld doordat de banken hun tarieven verlagen.