De strijd om de 'gewone' Amerikaan

ALAN GOLDBERG:

Barry Goldwater. Man of the People

463 blz., geïll., Yale University Press 1995, ƒ 54,50

ALONZO L. HAMBY:

A life of Harry S. Truman

760 blz., Oxford University Press 1995, ƒ 67,-

DAN T. CARTER:

The Politics of Race. George Wallace, The Origins of the New Conservatism, and the Transformation of American Politics

572 blz., geïll., Simon & Schuster 1995, ƒ 57,-

De Republikeinse presidentskandidaat van 1964, Barry Goldwater, neemt een belangrijke plaats in in de geschiedenis van conservatief Amerika. Een hoogtepunt bereikte de conservatieve stroming in november 1994, toen de Republikeinen een meerderheid verwierven in de Senaat en het Huis. Hoewel Goldwater door Lyndon Johnson in een 'landslide' verslagen werd, had hij met zijn verkiezingsthema's, gericht op de 'forgotten American', binnen en buiten de Grand Old Party zo'n structurele aanhang opgebouwd dat het Ronald Reagan in 1980 relatief weinig moeite kostte de conservatieve standpunten te verzilveren. De Reagan Revolutie van de jaren tachtig kreeg in november 1994 een nieuwe impuls in de vorm van de Gingrich Revolutie en naarmate deze conservatieve, historische opvatting meer wortel schiet, wordt het eerbetoon aan Barry Goldwater grootser en plechtiger.

De politieke thema's die de huidige vertegenwoordigers van de conservatieve revolutie in hun onderlinge strijd om de Republikeinse presidentsnominatie uitdragen, lijken ontleend te zijn aan het programma van de man die in 1964 zo roemloos ten onderging ging. Goldwater ijverde voor een verlaging van de inkomstenbelasting met 25% (Forbes), was tegen 'affirmative action' en seks en geweld op televisie en een vrijhandelsbeleid (Buchanan), zag in de federale overheid in Washington de grootste bedreiging van het Amerikaanse individualisme (alle kandidaten), benadrukte de statenrechten (Alexander) en verwierp de opvatting dat de overheid d.m.v. een begrotingstekort een sturende werking kon uitoefenen op de economie (Dole).

In Barry Goldwater betoogt Alan Goldberg, dat Goldwater te gemakzuchtig opgevoerd wordt als de ideologische inspiratiebron van het conservatisme van de jaren negentig. Als een fervent donateur van de beweging 'Planned Parenthood' vertegenwoordigde Goldwater duidelijk een on-rechts standpunt inzake het politiek gevoelige abortusvraagstuk; achter de façade van zijn racisme huldigde hij het standpunt dat ook zwarten lid mochten worden van de 'National Air Guard' en, hoewel zijn vaak geciteerde opmerking 'I suggest that government never did a thing for us', anders deed vermoeden, stelde hij als gemeenteraadslid van Phoenix en senator van Arizona alles in het werk om de overheidssubsidies voor zijn staat binnen te slepen.

In de conservatieve, historische visie is de betekenis van Goldwater dat hij, ondanks zijn verlies in 1964, de eerste Republikein was die op basis van een racistische campagne de zuidelijke staten aan zich wist te binden, waardoor Richard Nixon en Ronald Reagan op basis van de 'southern strategy' de Republikeinse meerderheid structureel konden maken. Ook deze opvatting wordt door Goldberg gerelativeerd. Goldwater wist in 1964 namelijk alleen maar het diepe Zuiden voor zich te winnen, terwijl de Democraat Johnson de staten Texas, Florida, Californië en New Mexico won. In het laatste hoofdstuk van zijn biografie constateert de auteur dat Goldwater niet meer dan een opportunistisch politicus was en weinig aandeel had in de vermeende conservatieve triomf van de jaren negentig. Volgens Goldberg kunnen Republikeinse ideologen zich in hun zoektocht naar de wortels van het moderne conservatisme beter concentreren op George C. Wallace, degene die vier maal tot gouverneur van Alabama werd gekozen en evenveel keren een gooi deed naar het Amerikaanse presidentschap.

Invloedrijk verliezer

Dat Wallace in de Republikeinse historische visie genegeerd wordt, is niet verwonderlijk. Wallace voerde vanaf 1960 campagne binnen de Democratische Partij, ofwel voor de 'Independent Party', en op basis van het verloop van deze campagnes karakteriseert historicus Dan T. Carter Wallace in The Politics of Rage als “de meest invloedrijke verliezer van de Amerikaanse politiek”. Wallace, die in 1963 nationale bekendheid kreeg met zijn leuze 'segregation now, segregation forever' en eigenhandig twee zwarte studenten de toegang tot de universiteit van Alabama belette, was volgens Carter de personificatie van het twintigste-eeuwse populisme. Want naast zijn racistische standpunten vertegenwoordigde de gouverneur in zijn presidentscampagnes een visie waarin hij onverbloemd opkwam voor de belangen van de 'gewone', 'forgotten American'. Met de nadruk op onderwijs voor iedereen, 'law and order', 'gezin en werk', verlaging van de inkomstenbelasting en zijn tirades tegen Washington en het Hooggerechtshof vormde hij in 1968 en 1972 een wezenlijke bedreiging voor zowel de Democratische als Republikeinse partij. Juist omdat Wallace in deze campagnes gefinancierd werd door heel veel kleine donaties en een achterban had die zich voornamelijk in de lagere inkomensgroepen concentreerde, was volgens Carter hij, en niet Nixon, Reagan, Buchanan, of Dole, de ware vertegenwoordiger van de term waarop de Republikeinen het monopolie denken te hebben, namelijk 'The Silent Majority'. Carter constateert droog dat het populisme dat door de huidige conservatieven zo omarmd wordt, niets anders is dan een “public relationsstunt, een poging om met een aansprekende slogan de traditionele Republikeinse binding met de beter bedeelde Amerikaan te verhullen”.

In dit stadium van de voorverkiezingen bevindt de Democratische Partij zich in de luwte van de discussie over wie de gewone Amerikaan vertegenwoordigt. Dat wil echter niet zeggen dat Democratische campagneleiders niet op zoek zijn naar een historische inspiratiebron voor Bill Clinton. Behalve dat Clinton zich in 1992 als erfgenaam van John F. Kennedy presenteerde, riep de aard van zijn presidentschap veel associaties op met de president die momenteel zo hoog genoteerd staat op de populariteitslijstjes over Amerikaanse presidenten, namelijk Harry S. Truman. Vergelijkingen werden er gemaakt tussen Truman en Clinton en hun falen de gezondheidszorg te hervormen, alsmede tussen Trumans besluit om segregatie in het leger te verbieden en Clintons wetsvoorstel waarin homoseksuelen in het leger geïntegreerd dienden te worden. Gelijk Clinton in 1994, werd Truman in 1946 geconfronteerd met een noviteit voor een zittende Democratische President: een Republikeinse meerderheid in het Congres. In Truman The Man of the People portretteert Hamby Truman als iemand met een grote sociale binding, met sympathie voor de underdog, eenvoudigweg omdat Truman zichzelf in zijn carrière meerdere keren financieel en politiek geruïneerd zag. Hamby ziet een duidelijk verband tussen Trumans 'mind and character' en de financiële schandalen, die zo kenmerkend waren voor zijn tweede ambtstermijn. Juist doordat Truman een man van het volk was en zich bij hem een obsessieve drang manifesteerde zo gewoon mogelijk te zijn, kon de deugd van eenvoud een banale vorm aannemen. Hoe verleidelijk het ook is op basis van Harry S. Truman. Man of the People een vergelijking te maken tussen Trumans binding met de 'gewone Amerikaan' en die van Clinton en, wellicht wat flauw, tussen Trumans financiële schandalen en Clintons Whitewater, zeker is dat de Democratische campagneleiding Clinton niet snel als erfgenaam van Truman zal opvoeren. Want hoe populair de opvolger van Roosevelt nu ook is, toen hij het Witte Huis verliet bevond zijn populariteit zich op een historisch dieptepunt. In hun pogingen de huidige politieke standpunten historisch te legitimeren zullen Republikeinse en Democratische campagnestrategen aan bovengenoemde biografieën weinig hebben. De hoofdpersonen worden te gedetailleerd beschreven en gewogen en kunnen daarom niet meer als ideaaltype voor een politicus in verkiezingsstrijd fungeren.