Bij NedPho en RPhO; Eerbetoon aan Bruckner

Concerten: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Valery Gergjev. Gehoord: 14/3, De Doelen Rotterdam. Herhalingen: 15 en 17/3; Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Hartmut Haenchen. Gehoord: 11/3 Concertgebouw Amsterdam.

Op 11 oktober is het precies een eeuw geleden dat Anton Bruckner overleed, een feit dat dit jaar uitgebreid wordt herdacht. Zo werd deze week Bruckners Derde symfonie uitgevoerd door het Nederlands Philharmonisch Orkest en stond diens Negende symfonie op de lessenaars van het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

De meeste van Bruckners symfonieën duren ongeveer een uur. Een voor de hand liggende aanvulling biedt de muziek van Bruckners idool Wagner; bij voorkeur diens opera-ouvertures. Het NedPho onder zijn chefdirigent Hartmut Haenchen zocht hiertoe zijn toevlucht, evenals het RPhO onder chefdirigent Valery Gergjev. Herdenkingsjaren vormen kennelijk als vanzelf een programmatische bewegwijzering van de minste weerstand.

Onder Haenchen kregen het Vorspiel en de Liebestod uit Tristan und Isolde een nette, goed gedoseerde, de ouverture Tannhäuser daarentegen een wat vlakke vertolking, zeker in vergelijking met de bijna lyrische ouverture Tannhäuser onder Gergjev.

De combinatie Bruckner en Wagner viel bij het NedPhO te billijken, omdat ervoor was gekozen van Bruckners Derde de oervorm te spelen en niet één van de latere bewerkingen die gebruikelijk zijn. Haenchen leidde zijn orkest overtuigend door de oorspronkelijke versie van deze 'Wagner-Symfonie', waarin de symfonicus in zijn eerbetoon zover gaat dat hij zijn idool zelfs enkele malen letterlijk citeert. Op de details viel zeker wat af te dingen, maar de coherente ineenstrengeling van de verschillende themagroepen en het stevige koraal uit het eerste deel mochten er wezen.

Ook de onvoltooide Negende onder Gergjev (Bruckner kon slechts drie delen van zijn zwanezang volledig uitwerken) was er een met veel potentie. Potentie, omdat de Rotterdammers de Russische tovenaarsleerling niet altijd op zijn dirigentenwenken wisten te bedienen. Bij de herhalingen van het programma zal dit mogelijk beter op elkaar zijn afgestemd, maar de contouren die Gergjev gisteren al wist neer te zetten, smeken haast om een cd-opname.

Een onzuiver slotakkoord, een te luide inzet van het hout in de achttien maten strijkers-tremolo waarmee de symfonie begint, niet altijd even soepele overgangen; het zijn bekende beenkluisters, maar ze deden weinig aan de geweldig uitgestrekte spanning. Als een adelaar, met zijn armen vaak wijd uiteen, leidde Gergjev zijn orkest van de ene dynamische en dramatische bergtop naar de andere.