Bejaarde immigranten in Australië herontdekken het Nederlanderschap; Oma Stick wil nooit meer terug

De tienduizenden Nederlandse immigranten in Australië vergrijzen snel. Na een levenslang streven om Australiër te worden, ontdekken velen op hun oude dag het Nederlanderschap. Soms noodgedwongen, omdat een beroerte of dementie de kennis van het Engels wegveegt. Bejaarde landverhuizers, terug in de tijd.

Ans Maaten houdt nu meer van Melbourne dan vroeger van Rotterdam. Ze houdt meer van het warenhuis Myer dan van de Bijenkorf. De meeste herinneringen aan Nederland zijn vervaagd. Alleen het ongeluk. Dat weet ze nog goed. Haar ouders kwamen om toen de stoomboot van haar vader ontplofte, in 1935 bij Alphen aan de Rijn. En haar trouwdag, in de oorlog. Er was geen taxi te krijgen zodat zij de tram namen naar het stadhuis. De overtocht naar Australië. Die duurde 38 dagen, van 20 april tot 28 mei 1955. Dat weet ze nog goed.

De herinneringen aan het leven van alledag beginnen in 1966. De perenboom in de achtertuin van hun eerste, in elf jaar bij elkaar gespaarde eigen huis in die mooie wijk van Melbourne. Op kerstavond zat de hele familie onder de lampjes. Ze mist iedere dag haar man, haar huis, de tochten met de caravan naar de gouden kust van Queensland. Hij ging vissen, zij zat te lezen of te handwerken. Ze reden nooit meer dan tweeduizend kilometer. De benzine was duur en zij had geen rijbewijs.

Eénenvijftig jaar is ze getrouwd geweest. En het was nog niet lang genoeg. Oma Maaten kwam naar Australië met vier kinderen. Ze kreeg er tien kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. Vooral zoon Jan is een ondeugd. Toen hij haar laatst twee jurken cadeau deed, had hij ze in de winkel eerst zelf gepast.

Mevrouw Maaten (74) is een van de vijftig bewoners van de Princess Margriet Lodge, een Nederlands bejaardentehuis in Melbourne, Australië. De bewoners, die allemaal in de jaren vijftig vanuit Nederland naar Australië emigreerden, spreken Nederlands met af en toe een Engels woord. Ze lachen om de stupid fouten die ze maken. Hun taalprobleem is de belangrijkste reden waarom ze bij elkaar wonen.

“De vrouwen hebben nooit goed Engels geleerd”, vertelt Petra Neeleman, dochter van Nederlandse immigranten. Ze is chief executive officer voor de tweehonderd bejaarden van de Princess Margriet Lodge, de Beatrix Village en Avondrust. “De mannen werkten en deden de zaken waar Engels voor nodig was: belasting, verzekeringen. De vrouwen bleven behind the closet, zeker als ze niet werkten. Je merkt het nu als ze televisie kijken. Ze kunnen het Engels niet meer volgen, het gaat te snel.”

Sommige bewoners van de Lodge spreken nog uitsluitend Nederlands. Een beroerte, geheugenverlies of dementie kunnen gepaard gaan met het verlies van een tweede taal als die is geleerd na het twaalfde levensjaar. De CEO heeft het net verteld of Emma, een breekbare vrouw met spierwit haar en een witte nachtjapon, verschijnt in de deuropening. Het is half elf 's avonds. Emma wil weten waarom het nog zo donker is. Of de gordijnen niet open kunnen? Of ze te vroeg is opgestaan? De directrice legt uit dat het niet vroeg is, maar laat in de avond. Emma laat zich niet eenvoudig overtuigen. “Dat spelletje gaat nu al weken en weken zo door”, moppert ze. “Daar trap ik niet meer in.”

De bejaarden van de Margriet Lodge willen niet terug naar Nederland. De 88-jarige Magda van Nes zou “nog voor niks niet” willen ruilen met haar zus in Vinkeveen, die haar kamer met drie anderen moet delen. Ze hebben het getroffen in de Margriet Lodge met allemaal een eigen kamer. Ze mogen van de directrice - “Heb je worries, Petra lost ze op” - zo laat thuis komen als ze willen en ze mogen op hun kamer thee zetten. Ze warmen zich in Melbourne aan het heerlijke klimaat, Nederland is koud en small. Ze zijn destijds niet voor niets vertrokken uit Nederland. En ze wonen inmiddels langer in Australië dan in Nederland, met hun kinderen en kleinkinderen. Toch blijven ze daarnaast ook een beetje Nederlands. In hun hart zijn ze dat altijd gebleven. Koningin Elizabeth is toch een rotmens vergeleken met Beatrix.

De immigranten genieten van een koekje bij de koffie, van de Nederlandse psalmen met Kerstmis, van het sinterklaasfeest, van een klaverjasdrive, van de Melbourne Tukker Folkdancers op het jaarlijkse Holland International Festival. Het tehuis krijgt uit Nederland video's met conferences van Toon Hermans en afleveringen van 'Zeg eens A' en 'Weg van de snelweg'. Op de leestafel liggen Libelle en Margriet. In de boekenkasten van de gemeenschappelijke ruimtes staan in wit kunstleer gebonden streekromans.

De immigranten leven in de Margriet Lodge in de jaren vijftig van het land dat ze verlieten. De wortelen zijn gaar, bij de zuurkool hoort worst. Ze krijgen prakjes in plaats van Australisch/Engelse gerechten als salades en schotels met schapevlees.

Directrice Neeleman wijst op de kamerplanten, de vitrage voor de ramen, de lijstjes met foto's van familie aan de muur. Die zou je niet tegenkomen in een Australisch huishouden. Er liggen bij de Nederlandse immigranten Perzische tapijtjes op de tafels. Beatrix en Claus delen een muur met de Nachtwacht.

Spellingslijsten

Ans Maaten heeft haar eigen kamer in het hoofdgebouw. Ze woont er al bijna vier jaar. Haar man lag met kanker in het ziekenhuis toen ze zelf een beroerte kreeg. Ze is links gedeeltelijk verlamd en loopt met een stok. Haar man kon niet meer voor haar zorgen. Het huis moest verkocht worden. Een half jaar later was haar man overleden. Haar jongste achterkleindochter noemt haar nu oma Stick.

“Ik was dankbaar dat ze ons wilden hebben in Australië. Ik wilde geaccepteerd worden. Daar heb ik voor gevochten. We woonden in een wijk waar meer Nederlanders woonden, een gezellige wijk. We hadden wel een paar Nederlandse vrienden. Maar mijn man - die kreeg last van industrial deafness - wilde geen lid worden van de Nederlands kaartclubs. Dat vond hij een verplichting.

“Ik wist niet dat de Margriet Lodge bestond. Dat vertelde de overbuurvrouw, een Amsterdamse. De Australische tehuizen hebben een slechte naam. Ik ben gaan kijken met mijn zoon. Ik vond het niks. Ik zag alleen oude wijfjes met witte haren. Kijk eens in de spiegel, zei mijn zoon.”

Mevrouw Maaten denkt in het Engels. De boeken die ze leest zijn van alles wat, maar meestal Engels omdat die 'gezelliger' geschreven zijn. Ze is vijftien jaar jonger dan de oudsten in het tehuis. De maximumleeftijd van immigranten was vijftig jaar, Ans Maaten was 33 jaar toen ze de oversteek maakte.

“Getrouwde mensen werkten niet in Nederland. Mijn man vond dat ik hier ook niet hoefde te werken, maar ik wilde toch. In het begin, we woonden nog in een hostel, mocht het niet. Als de vrouw werkte, moest je meer huur betalen. Daarom werkte ik stiekem. De kinderen moesten maar op zichzelf passen. Ik heb alles aangepakt, het een nog vervelender dan het ander. Ik heb hier misschien wel harder gewerkt dan ik in Nederland had gedaan.

“Mijn man las de krant en pakte een dictionary als hij het woord niet wist. Hij kwam meteen op een fabriek met allemaal Australische collega's. Ik maakte een fout. Ik begon bij een Hollandse zaak die alleen Nederlanders nam omdat die beter poetsten, de Dutch Cleaning Service. Mijn zoon lachte me uit, want ik sprak raar Engels. Niet lang meer, nam ik me voor. De kinderen - amazing hoe snel die het oppikten - kregen voor school spellingslijsten. Die woorden zei ik net zo lang hardop tegen mijn zoon tot het goed was.

“Ik erger me aan de manier waarop de anderen hier in de Lodge Nederlands spreken, aan de domme uitspraak. Ze hebben het over hullie en zullie. Ze zeggen: ik kan hem niet. Je zou zeggen, wat maakt het uit, maak je niet zo druk, ze komen oorspronkelijk uit het noorden en het oosten van Nederland. Het is dialect.”

Ze krijgt zelfs wel eens ruzie met andere bewoners. De kinderen van de eerste generatie immigranten verstaan en spreken Nederlands. Maar de tweede generatie en de derde generatie verstaat hun oma's niet meer als die het Engels verliezen. Toen een andere bewoonster in een gesprek met haar bezoekende kleinzoon de draad kwijtraakte, bood Ans Maaten aan om als tolk op te treden. Ze mocht zich er niet mee bemoeien.

White Australia

De Nederlandse overheid voerde van 1945 tot 1962 een actief emigratiebeleid, om de werkloosheid terug te dringen en de bevolkinsgroei in banen te leiden. Sinds 1945 zijn er 600.000 Nederlanders geëmigreerd naar Australië, Nieuw-Zeeland, Canada, de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. Meer dan de helft van de emigranten vertrok in de jaren vijftig. En bijna een kwart koos voor Australië: 126.000 in de periode van 1946 tot en met 1965 en nog eens 20.000 in de periode van 1966 tot 1985. Volgens de volkstelling van 1991 leefden er toen 94.692 mensen in Australië die in Nederland waren geboren. Dat was 2,6 procent van het aantal immigranten in Australië. Daarnaast was er een tweede generatie - één of beide ouders geboren in Nederland - van 139.723 inwoners.

Australië wilde in die tijd graag andere immigranten dan alleen Engelsen. Daartoe werd in 1946 een contract met het particuliere Nederlands Emigratie Fonds gesloten en in 1951 een contract met de Nederlandse overheid. Beide landen droegen bij aan de kosten van de overtocht. Er gold bovendien een White Australia Policy waarmee immigratie van Chinezen en Kanaken van de Polynesische eilanden werd voorkomen. Behalve Westeuropeanen waren ook Grieken, Italianen, Joegoslaven en Libanezen welkom. Pas in de jaren zeventig werd dat beleid verlaten; sinds 1979 is de meerderheid van immigranten van Aziatische afkomst.

De groep Nederlandse emigranten vergrijst snel. In 1991 was 38,5 procent van de eerste generatie immigranten 55 jaar of ouder, momenteel zijn er 27.000 Nederlandse bejaarden in Australië. “We verwachten meer dan voldoende aanmeldingen voor de komende dertig jaar”, zegt Neeleman. De drie tehuizen waar zij de leiding heeft, zijn te danken aan initiatieven vanuit de Nederlandse gemeenschap die financiele steun kreeg van de Australische overheid en Nederlandse liefdadigheidsfondsen.

Tot in de jaren zeventig beschouwden de Nederlanders in Australië zichzelf niet als een etnische groep, schrijft de Nederlandse socioloog J.H. Ehlich in zijn proefschrift over de emigratie naar Australië. De immigranten wilden zo snel mogelijk Australiër worden. Pas de afgelopen twintig jaar kwam de eerste generatie er achter dat volledige integratie niet mogelijk is. De zorg voor ouderen en de angst voor vereenzaming, bracht de Nederlandse gemeenschap bijeen, vooral in de buitenwijken van Melbourne en Sydney waar de grootste concentraties Nederlanders wonen. De gezelligheidsverenigingen die tot dan toe alleen het koninginnebal, de autorally en de kaartavonden organiseerden, werden belangengroepen.

Eerste keus

Johanna van Voorst, Jo of Jopie, is 74 jaar. Zij was een van de drijvende krachten achter de Holland Australian Retirement Foundation, een van de organisaties die is opgegaan in het overkoepelende Dutch Care. Begin jaren zeventig is ze geld gaan inzamelen. We moeten wat voor onze oude dag doen, werd het motto in het Hollandse clubleven. Met bazars in de tuinen brachten onder meer de Abel Tasmanclub en Limburger Kangaroos de fondsen bijeen voor de retirement villages. Daarvan zijn er, volgens het Nederlandse consulaat, in Australië inmiddels elf, waarin naar schatting 550 Nederlandse bejaarden wonen. Dutch Care is bezig met de fondsenwerving voor het eerste Nederlandse verzorgingstehuis.

Mevrouw Van Voorst kwam in 1955 naar Australië. Zij woont in een tweekamerappartement. “Een aanleunwoning”, zegt ze. De grote zwart-witfoto aan de muur herinnert aan de stad waar ze is geboren: de Amstel, Carré, een peperbus. “Alles staat er op.”

Haar man, een timmerman, was in de oorlog vrijgekomen uit een concentratiekamp op de dag voor de spoorwegstaking. Na de oorlog hoefde Holland voor hen niet meer. Als er wat zou gebeuren, zat je er als ratten in de val. Hun etagewoning op de Nieuwe Herengracht in Amsterdam was verschrikkelijk, hopeloos, nat en vochtig. De familie - de zoons waren dertien en elf, het meisje was vijf - wilde eerst naar Zuid-Afrika, maar belandde in Australië. Australië stelde minder strenge eisen aan de opleiding van de immigranten dan bijvoorbeeld Canada en Zuid-Afrika, de landen die vaak eerste keus waren. Canada wilde bijvoorbeeld vooral boeren.

“We gingen om de kinderen een opportunity te geven. We hadden weinig te verliezen. Onze woning stelde niet veel voor. Je had twee jaar bedenktijd. Als het je niet beviel zou de regering bijpassen en de reiskosten betalen. Als je het geld had, moest je de reis zelf betalen. Maar de boten zaten vol met mensen die reductie of vrij reizen hadden gekregen. Je mocht drie kisten bagage meenemen. De zoons van de huisbaas van mijn zuster hadden een huis voor ons in Melbourne. Het was nog in aanbouw. Als emigrant kreeg je geen vijf-sterrenhotel.”

Mevrouw Van Voorst maakt zich boos over de vooroordelen jegens Nederlandse immigranten in Australië. Uitgerekend de spijtoptanten kregen alle aandacht op televisie en in de kranten. “We hadden het zwaar, maar we waren niet zielig. We hadden geen spijt, geen heimwee. Een landverhuizer is een ander mens dan een gemiddelde Hollander. Een landverhuizer heeft doorzettingsvermogen. Je moest optimistisch blijven. En je huwelijk moest de basis zijn. Het was belangrijk dat je het samen goed kon vinden. Ik heb diverse huwelijken in elkaar zien ploffen omdat de één het met een ander ging houden.

“Waarom zou je terug gaan? Als je geen geld had, kon je niet terug. En als je wel geld had, wilde je doorzetten. Je zag de verbetering. Hier kon je land kopen. Anyway, de geschiedenis heeft uitgewezen dat de Nederlanders altijd een avontuurlijk volkje zijn geweest.”

In Amsterdam werkte ze in het theater. Ze naaide kostuums voor de Sleeswijk-revue of voor het circus. In Melbourne stikte ze schoenleer in een fabriek. Ze verdiende 10 pond, waar het gezin van leefde. Haar man verdiende 18 pond, wat bestemd was voor het huis. “We kochten een stuk land waarop - ik heb het uitgerekend - in Amsterdam een paar honderd mensen woonden. Met tot driehoog elkaars was voor de ramen.”

Ze mist de tochten door Australië met de camper. Het is een eiland en het heeft beaches waar Hawaii niet aan kan tippen. In de schemering zette het echtpaar de camper langs de weg. De hele nacht ruiste de zee. De volgende ochtend opende haar man de klep voor het uitzicht. Voila, vroeg hij dan, had je nog wat anders willen zien?

“Ik ben al zoveel jaren hier. Na 39 jaar is mijn Engels nog niet perfect en mijn Nederlands misvormd. En in Nederland zijn de spelling en de zinsvormen veranderd. Het is nu kado in plaats van cadeau. Ik ben zeven keer in Nederland geweest, de Keukenhof vond ik werkelijk prachtig, maar ik kan de krant niet meer lezen. Het betekent niets meer voor me, dus heb ik er ook niets meer aan. Ik zou er voor geen prijs meer willen wonen. In Australië heb je de ruimte, in Nederland is het bekrompen.”

“Ik herinner me oudejaarsavonden in Amsterdam. Met de kou en de sneeuw. Je hoorde alle boten blazen. Je hoorde de klokken luiden. Dat heb je hier niet. Maar in mijn hart heb ik al afscheid genomen van Nederland.”

Literatuur: J.H. Ehlich - Aan de ene kant, aan de andere kant: de emigratie van Nederlanders naar Australië 1946-1986 (Delft 1987). Benoit Gruter, Jan Stracke - Dutch Australians Taking Stock; A compilation of papers delivered at the First National Dutch Australian Community Conference (Melbourne 1993)