Babytherapie

CAROLINE ELIACHEFF:

Het kind dat een kat wilde zijn. Psychotherapie der allerkleinsten

180 blz., vert. Marianne Kaas (À corps et à cris, 1995), De Bezige Bij 1996, ƒ 34,50.

Olivier, tweeënhalve maand oud, woont in een kindertehuis. Omdat hij last heeft van ademhalingsproblemen en een schilferige huid, wordt Caroline Eliacheff geconsulteerd, die als psychoanalytica verbonden is aan het tehuis. Zij hoort de geschiedenis van het zwarte jongetje aan.

Daarna legt ze de zuigeling uit dat zijn moeder wilde dat een blank gezin hem zou adopteren, dat ze niet weet of dat ook zal gebeuren, maar dat hij zelf niet van huidskleur hoeft te veranderen. Bij het volgende consult, een week later, is Oliviers huidziekte verdwenen. Nu vertelt de psychoanalytica het - slapende! - jochie dat hij misschien zo moeilijk ademt omdat hij zijn moeder zoekt in wie hij geleefd heeft en die toen voor hem ademde, maar dat hij haar niet terugkrijgt door niet meer te ademen, en dat hij zelf moet ademen als hij wil leven. Als ze uitgepraat is, is Oliviers ademhaling normaal.

In Het kind dat een kat wilde zijn beschrijft Caroline Eliacheff de geschiedenissen van tien heel jonge kinderen uit haar praktijk in een kindertehuis in het Franse dorpje Antony. Eliacheff leest elk kind alsof het een roman is die bol staat van symboliek. Vervolgens vertelt ze aan het kind, hoe jong ook, hoe ze zijn symboliek duidt, waardoor het - vaak als bij toverslag - geneest. Deze methode leerde ze van Françoise Dolto (een psychoanalytica uit de school van Lacan), die haar tevens een aantal veel voorkomende interpretaties aan de hand deed. Neem Zoé, die plotseling erg ziek wordt als ze vijf maanden oud is. Volgens Dolto is een symptoom dat optreedt tussen de geboorte en negen maanden, mogelijk een 're-actualisatie' van iets dat op hetzelfde tijdstip in het 'intra-uteriene leven' is voorgevallen. Wanneer Eliacheff tegen Zoé het vermoeden uitspreekt dat haar moeder in de vijfde maand van de zwangerschap abortus heeft willen plegen, wordt Zoé snel beter. Een mooi staaltje symbolisch interpreteren vinden we ook in de beschrijving van Fleur, die begint met overgeven, wanneer er besloten wordt dat zij geadopteerd zal worden: haar leven neemt een andere wending - de spijsvertering verandert mee van richting. Als Eliacheff aan Fleur vertelt dat deze zelf kan beslissen of het adoptiegezin wel goed voor haar is, geneest ook dit meisje snel.

De schrijfster postuleert allerlei verbanden zonder deze inzichtelijk, laat staan aannemelijk, te maken. Hoe er een relatie kan bestaan tussen de negen maanden in de baarmoeder en de eerste negen maanden na de geboorte, wordt bijvoorbeeld niet uitgelegd. Meer fundamentele vragen - hoe kunnen kinderen genezen als je hun de symboliek van hun symptomen uitlegt? waarom zou het überhaupt zin hebben om dingen uit te leggen aan kinderen die nog geen taal begrijpen? - worden pas in het nawoord afgehandeld, waar ze als respectievelijk onbeantwoordbaar en onjuist terzijde worden geschoven. Eliacheff geeft toe dat ze niet kan uitleggen hoe haar methode werkt, maar die werkt nu eenmaal, en dat bewijst volgens haar dat baby's al wel taal begrijpen. En hoe dat dan weer kan, blijft een raadsel.

En passant heeft Eliacheff wel flink uitgehaald naar gecontroleerd onderzoek met kinderen. Dit doet ze af als nietszeggend (“voor de hand liggende uitkomsten bewijzen is niet zo moeilijk”) en onethisch. Zelfs een experiment waarbij kinderen mogen kiezen tussen twee rijen snoepjes - een lange rij met grote tussenruimten en weinig snoep, en een korte rij waarin veel snoepjes dicht op elkaar liggen - kan niet door de beugel; de kinderen worden er niet wijzer van en dienen slechts als 'lustobjecten' voor de wetenschappers.

Volgens Eliacheff moeten we onze kennis over kinderen verkrijgen via observaties uit de psychoanalytische praktijk. In haar geval leidt dat echter tot inconsequenties en willekeur. Het gemak waarmee Eliacheff haar ideeën ondersteund ziet door schijnbare toevalligheden doet vermoeden dat ze even moeiteloos allerlei zaken over het hoofd ziet die niet in haar straatje te pas komen. Boeken met observaties uit de psychiatrische praktijk zijn populair, en het zal geen toeval zijn dat de oorspronkelijke titel van dit boek, À corps et à cris, vertaald is in iets dat meer op The child that mistook himself for a cat lijkt. Maar wie zich graag verbaast over vreemde gedachtenwerelden die mensen er op na kunnen houden, moet er in dit geval op voorbereid zijn dat zijn verwondering meer de therapeute zal gelden dan haar patiënten.