Wrange smaak over Fokker

Nederland is een rijk land. Eind 1993 hadden Nederlandse bedrijven voor 246 miljard gulden in het buitenland belegd. Per jaar komt daar zo'n 25 miljard gulden bij. Verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen hebben 800 miljard gulden aan collectieve besparingen in portefeuille en ook dat bedrag zwelt voortdurend aan. Over de jaren 1990-1994 spaarden Nederlanders zo'n 25 miljard gulden per jaar meer dan ze investeerden. Ook de lopende rekening van de betalingsbalans vertoont al sinds 1981 een voortdurend oplopend overschot. In 1994 werden er voor 25,1 miljard gulden meer goederen en diensten Nederland uitgevoerd dan ingevoerd, terwijl het geld dat daarvoor werd geïncasseerd in de omgekeerde richting ging: vooral naar Nederland dus. Vorig jaar bedroeg het positieve saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans al 29 miljard gulden, dit jaar zal het volgens het Centraal Planbureau (CPB) 32,5 miljard zijn en volgend jaar 38,5 miljard. Nederland was al een renteniersnatie, maar wordt dat in steeds sterker mate.

Volgens het CPB zijn we zelfs nog rijker dan we meten. Opbrengsten op beleggingen in het buitenland, die daar ook weer worden herinvesteerd of herbelegd, komen niet voor op de inkomensbalans tussen landen. Een voorbeeld is de ingehouden winst van buitenlandse dochterondernemingen. Nederlandse moeders staan hun buitenlandse dochters toe een deel van de daar behaalde winst opnieuw in het buitenland te investeren. Dat doen ze in sterkere mate dan buitenlandse multinationals in Nederland. Per saldo gaat het om ruim een half miljard gulden per jaar.

Bij al deze rijkdom doet de doodsstrijd van Fokker wrang aan. Alsof je aan een rijkelijk gevulde dis zit, terwijl hongerige landgenoten op een afstand likkebaardend en machteloos toezien. Niet alleen Fokker maar het lot van de hele Nederlandse industrie staat op het spel. Met 8.000 werknemers in Nederland staat Fokker nummer 3 in de Top 11 van werkgevers in de Nederlandse maakindustrie 1994, achter Philips en Stork. Op nummer 4 staat het ook niet bijster goed lopende Begemann van grootaandeelhouder Joep van den Nieuwenhuyzen, met 6.200 werknemers. Nummer 7, Daf (2.640 werknemers in 1994), is maar net aan een faillissement ontsnapt. Wie volgt? Bij de maakindustrie gaat het om het produceren van dingen die je op je tenen kunt laten vallen, die als je ze op de grond laat vallen 'boing' zeggen. Nederland wordt steeds meer een land van papierschuivers in hoge kantoren, zo lijkt het.

Het faillissement van Fokker betekent het grootste massaontslag van werknemers sinds de tweede wereldoorlog. Het kost Nederland zo'n half miljard gulden per jaar aan gederfde inkomsten en verstrekte uitkeringen. Reken maar na. Een levend Fokker levert de Nederlandse samenleving per jaar 250 à 300 miljoen gulden op aan ingehouden loonbelasting en premies sociale verzekeringen voor de inmiddels 7000 werknemers, aan btw (17,5 procent) over verkochte vliegtuigen en aan energierekeningen. Om nog maar te zwijgen van de gederfde inkomsten bij toeleveranciers (tegenover elke baan bij Fokker staat een baan bij een Nederlandse toeleverancier).

Een dood Fokker kost aan uitkeringen (exclusief de levensvatbare onderdelen die buiten het faillissement worden gehouden) al gauw 5000 maal 50.000 gulden: dat is 250 miljoen gulden per jaar. Opgeteld: ruim 500 miljoen gulden per jaar. Als een deel van de ontslagen Fokker werknemers snel elders aan de slag komt, blijft gelden dat men anderen (bijvoorbeeld huidige werklozen en schoolverlaters) van een baan afhoudt. Die worden of blijven dan werkloos in plaats van de Fokkerwerknemers, zodat de totale kosten van een half miljard gulden aan uitkeringen overeind blijven.

Voor een overlevingsplan moeten eveneens 500 miljoen guldens door Nederlandse financiers (levensverzekeraars, pensioenfondsen, industriële partners) worden opgebracht, zij het dat dit bedrag maar één keer hoeft te worden opgehoest en niet elk jaar weer. Volgens Fokker is het gemaakte stand alone scenario, waarbij Fokker gedurende enige tijd Nederlands blijft, winstgevend. Wat let(te) inventieve Nederlandse boekhouders om een oplossing te bedenken voor dit probleem? De kosten van een dood Fokker zijn immers even groot als de kosten van een overlevingsplan. Toch bleef iedereen afwachten. De bewindvoerders van Fokker wachtten op Chinezen en Koreanen. Of ze alsjeblieft de Nederlandse industrie voor een prikkie wilden overnemen. Dat die Chinezen en Koreanen de Nederlandse technologie zullen exploiteren en Fokker later alsnog zullen sluiten, namen ze graag op de koop toe.

Nederland is rijk, maar die rijkdom vloeit voornamelijk voort uit handel. Export, het kopen en verkopen van bedrijven, handel in obligaties en aandelen. Nederland telt veel handelsbanken en geen industriebanken, zoals in Duitland. Een industriepolitiek heeft Nederland nooit gehad, al hebben intellectuelen als Hans Wijers (minister van Economische Zaken) er wel dikke boeken over geschreven. Echte ondernemers telt Nederland ook weinig of niet. Mensen die het risico durven te nemen dat ze alles kwijt raken, zoals Joep van den Nieuwenhuyzen. Nederland is rijk, maar telt vooral veel boekhouders en die zijn blijkbaar niet erg inventief en hebben weinig lef.