Wintersnorren

Geboren onder het sterrenbeeld van De Muis, Met Het Vogeltje in de ascendant: En O, de winter is zo koud Voor de zwart-met-witte kater, En hij is ook al zo oud. Daarom had hij wintervoeten, Winterpoten, winterbenen, Wintervingers, wintertenen, Winteroren, winterstaart, En waarachtig, wintersnorren - Maar hij draagt het zonder morren; Oude katten dragen veel, Ja soms ondragelijke smart. Maar hij had niet een winterhart, Integendeel, integendeel.

Uit zijn gedichten is duidelijk dat het dilemma hartverscheurend voor hem was ('nat hout verteerd door vuur') en dat hij achteraf ernstig betreurd heeft dat hij zijn hart niet heeft gevolgd. Het moet voor hem niet alleen een familiaal, maar vooral ook een religieus drama zijn geweest; twijfelen aan de zinvolheid van zijn plicht was equivalent aan twijfelen aan het bestaan van God, en twijfel daaraan was voor hem twijfel aan alles; maar hij schrok er niet voor terug. De gedachte van een afgunstige God die de mensen hun aards geluk afneemt, een God voor wie wij niet meer zijn dan speelgoed ('PermainanMu'), die maar een beetje een kat-en-muisspel met de mensen speelt, komt als een rechtstreekse beschuldiging in zijn gedichten voor: 'Je [tot God, die hij tutoyeert] bent jaloers/ Je bent kwaadaardig/ Ik ben een prooi in Je klauwen/ Dan weer vangen en dan weer loslaten..' ('PadaMoe djoea', Tot Jou alleen). Dat zijn huiveringwekkende regels, misschien ook doordat ik me de felle klank van sommige van die woorden uit mijn kinderjaren herinner, zoals 'ganas' - wreed, boosaardig, of 'tjakar' - klauwen, zoals van een roofdier.

Niet dat hij dat zo prettig vond