Vrijdag 15; Uitgevers

De AKO, zo was vorige week in het CS te lezen, is van plan het assortiment in de bij haar aangesloten boekhandels van tweeduizend verschillende titels terug te brengen tot vierhonderd.

Geen programma dat van grote originaliteit getuigt. Wie vandaag, aan het begin van de boekenweek, een willekeurige andere Nederlandse boekhandel binnenloopt, krijgt de indruk dat het assortiment daar al bijna tot een dieptepunt is gedaald. Niet dat er niet veel titels zijn uitgestald. Elke vierkante meter is tot het uiterste gevuld. Maar hoeveel titels daarvan zijn voor een in literatuur geïnteresseerde lezer nog de moeite waard? Hoeveel wijzen op een bloei in de Nederlandse letteren? In de ene winkel staat de zoveelste druk van Gerrit Komrij's poëziebloemlezing op de toonbank, met cd. Bij de andere een doos met goedkope Latijns-Amerikaanse pockets. Bij de derde liggen stapels met elk-wat-wils verzamelbundels. Er zijn wel eens boekenweken geweest waarin de lezer die het boekenweekgeschenk wilde ontvangen een prikkelender ontvangst werd bereid.

Het is de vraag of deze malaise alleen de schuld van de boekhandel is. Ook de programma's van de uitgevers lopen dit jaar niet over van energie. Het aantal nieuwe romans, verhalenbundels of dichtbundels dat om aandachtige lezing vraagt, is tot nu toe op de vingers van twee handen te tellen. De verschijningslijsten van de maand februari en maart vermelden bij veel uitgevers een uiterst armzalig rijtje titels, die geen enkele lezer rechtop in zijn stoel doen schieten.

Natuurlijk, er zijn uitzonderingen. Er is het eerste deel van Het Bureau, het nieuwe project van J.J. Voskuil. En de nieuwe Van der Heijden moet nog altijd uitkomen. Maar wat is dat voor een leescultuur, waarin een seizoen staat of valt met de verschijning van één of twee boeken? Vorig jaar lagen om deze tijd Connie Palmen, Adriaan van Dis, Nicolaas Matsier en Thomas Rosenboom op deschappen. Door wie zijn hun boeken nu opgevolgd?

Alles wijst erop dat de literaire uitgeverij zich in een kleine crisis bevindt. Sinds het vertrek van een oude generatie uitgevers en redacteuren zijn daar bijna geen mensen meer die schrijvers van naam nog tot belangrijk nieuw werk weten te brengen. In de gloriedagen van De Bezige Bij was het Geert Lubberhuizen die elk jaar bij Hugo Claus langs ging om een nieuwe roman 'los te praten'. Bij De Arbeiderspers zette Theo Sontrop Cees Nooteboom aan het werk en stimuleerde Emiel Brugman Boudewijn Büch. Oscar Timmers begeleidde Harry Mulisch bij zijn werk in wording. Frank Ligtvoet werkte samen met Margriet de Moor aan nieuwe romans en Harko Keyzer bedacht projecten voor zijn Contact-fonds.

Al deze mensen zijn inmiddels weg. Hun opvolgers zijn zich nog aan het inwerken. Nu de uitgevers zich steeds meer op de distributie van hun boeken richten, lijkt het of zij het binnenhalen van talent tot een bijkomstigheid hebben gedegradeerd.

Waar blijven de nieuwe meesterwerken?