Tjakar en andere huiveringwekkende klanken; Bij de herdenking van de dood van Amir Hamzah

Van de Indonesische dichter Amir Hamzah verschenen omstreeks 1940 twee onvergetelijke bundels. Een huwelijk dwong hem zijn Javaanse geliefde te verlaten en zijn plaats in te nemen in de hiërarchie van het Sultanaat. Daarna publiceerde hij nooit meer. “Twijfelen aan de zinvolheid van zijn plicht was equivalent aan twijfelen aan het bestaan van God, en twijfel daaraan was voor hem twijfel aan alles; maar hij schrok er niet voor terug.”

Literatuur: A. Teeuw, Modern Indonesian Literature, 2 vols, Martinus Nijhoff, Den Haag 1979. H.B.Jasin, Amir Hamzah, Radja penjair Pudjangga baru, Gunung Agung, Djakarta 1962. Tjatatan-tjatatan tentang Amir Hamzah, Jogjakarta 1955 Puisi Baru, dikumpulkan oleh S. Takdir Alisjahbana, Pustaka Rakjat, Djakarta 1961. T.M.Lah Husny, Berdarah, Kisah dan kasih pudjangga Amir Hamzah, eigen beheer, Medan 1971. S.Takdir Alisjahbana, Amir Hamzah, Penyair besar antara dua zaman, Dian Rakyat, Jakarta 1979 A.B.Husny, Pujangga Amir Hamzah. Qalam, Singapore 1961

Toen wij in Februari 1946 uit Sumatra naar Nederland vertrokken leefde hij nog. Een maand later was hij dood, vermoord. Dat is nu vijftig jaar geleden.

Ik heb het over Amir Hamzah, de grootste Indonesische dichter van vóór de oorlog - Nederlands-Indische dichter dus eigenlijk, een omschrijving die in mijn ogen niet onzinnig is: hij kreeg Nederlands onderwijs, studeerde aan een Nederlandse hogeschool, las Nederlandse boeken en zelfs zijn handschrift is herkenbaar vooroorlogs Nederlands. En toch werd juist hij de vernieuwer van de Maleise taal, de dichter die er in slaagde de klassieke vormen nog één keer te laten herleven met een schitterende nieuwe poëzie, de grondlegger van het moderne Indonesisch.

Zijn gedichten zijn inderdaad opvallend mooi, zelfs voor iemand als ik die door zijn beperkte kennis van het Maleis de helft niet begrijpt. Het herinnert aan de pantoens waar je als kind in Indië al vroeg mee in aanraking kwam, een soort volkspoëzie, lieflijk van klank met veel bloemen en geuren en romantisch sentiment. Maar bij Amir Hamzah word je getroffen door iets persoonlijks dat gewone pantoens niet hebben, iets hartstochtelijks dat je onverwachts treft, een onvermoede diepte. Je grijpt dan naar het woordenboek en herleest, maar voor Indonesiërs moet dat gevoel veel sterker zijn geweest en dat is het kennelijk nog steeds. De twee bundels gedichten, verschenen in 1937 en '41, zijn eindeloos herdrukt, tot in goedkope volksedities van een paar stuivers; deze gedichten werden werkelijk gelezen, niet alleen in Indonesië maar ook in Maleisië, en dat ondanks het feit dat Amir Hamzah's gedichten ook voor Indonesiërs niet makkelijk zijn. De na-oorlogse dichter Chairil Anwar sprak - n.b. in het Nederlands - zelfs van 'duistere poëzie' (woorden geciteerd, ook in het Nederlands, in het boek van H.B. Jassin over Amir Hamzah).

Er bestond vóór de oorlog een hele lichting van Indonesische schrijvers gevormd door het Nederlandse onderwijs: de dichters van het tijdschrift Poedjangga baroe (De nieuwe dichter), sterk beïnvloed door de beweging van Tachtig. Ze aanbaden de Schoonheid en schreven sonnetten. Het heeft iets tragisch dat de meesten van hen nu volkomen vergeten zijn, en met hen deze Nederlandse literaire erfenis in het Indonesisch. En het opvallende is dat Amir Hamzah, die is gebleven, nooit een deel van die traditie is geweest.

Hij was er wel degelijk mee vertrouwd; als ik mij niet vergis is de invloed van de Tachtigers in het werk van Amir Hamzah ook niet werkelijk afwezig - het verschil is alleen dat bij hem die invloed verwerkt is en bij de anderen niet; wat bij hen niet uitkwam boven het niveau van imitatie en epigonisme is bij Amir omgevormd tot iets persoonlijks en eigens. In een essay over pantoens, verschenen in Poedjangga baroe (2e jaargang No 9, Maart 1935 - 61 jaar geleden), citeert Amir Hamzah zelfs een sonnet van Kloos in zijn geheel ('Nauw zichtbaar wiegen, op een lichten zucht..'), en bij het lezen daarvan viel mij op hoe sterk de sfeer ervan aan sommige van zijn eigen gedichten herinnert. Maar zoals Soetan Takdir Alisjahbana, de oprichter van Poedjangga baroe, opmerkte in zijn monografie Amir Hamza, penyair besar antara dua zaman (Een groot dichter tussen twee tijdperken): 'Van Amir Hamzah kun je zeggen dat hij nooit Hollandse of Engelse woorden in een gedicht gebruikte, en ook niet in zijn proza'.

Gebalsemd

Een ander belangrijk verschil was dat Amir Hamzah weliswaar Nederlands onderwijs kreeg, maar ook was grootgebracht met de traditionele Maleise poëzie omdat hij opgroeide aan een Maleis sultanshof; hij had dus ook zuiver Maleis tot moedertaal, in tegenstelling tot veel andere Indonesiërs voor wie het een aangeleerde taal is. Er waren op Sumatra's Oostkust verschillende Sultanaten, zoals dat van Deli, van Langkat, van Asahan, die vanaf het eind van de negentiende eeuw over kolossale inkomens beschikten als gevolg van het verpachten van grond aan de tabaksmaatschappijen. De vader van Amir Hamzah was een tengkoe (vorst) behorend tot de familie van de sultan van Langkat, bij wie hij ook in dienst was, en een groot kenner en liefhebber van klassieke Maleise versvormen als Sjair en Hikajat. De glorie van deze literatuur lag toen al ver in het verleden, het was een gebalsemde kunst die dankzij Amir Hamzah nog één keer een kortstondige schittering heeft gekend, om daarna definitief plaats te maken voor versvormen ontleend aan Europese tradities.

Tengkoe Amir Hamzah werd geboren op 28 Februari 1911 op Tandjoengpoera, Langkat, Sumatra's Oostkust. In 1925, na de Hollands-Inlandse school, ging hij naar Batavia voor vervolgonderwijs, en daarna naar een hoogst opmerkelijke middelbare school, het 'Oosters Gymnasium' in Djokja, waar Sanskrit, Oud-Javaans en Arabisch werd onderwezen zoals Latijn en Grieks op een gewoon gymnasium.

Amir schreef toen al gedichten en dit bewonderenswaardige onderwijs (waarop, zoals helaas op de meeste goede dingen van Nederlands-Indië, de beroemde Indische formule van toepassing was: 'Adoeh, jammer maar één') moet zijn poëzie diepgaand hebben beïnvloed. Volgens specialisten als A. Teeuw en A.H. Johns deden hier woorden en versvormen uit het Javaans hun intrede in Amir Hamzah's poëzie, deze daarmee aanzienlijk verrijkend. Voor iemand als ik, die van Gods heerlijke borduurwerk slechts de rafelige onderkant te zien krijgt, openbaart die verrijking zich vooral in de vorm van woorden die niet in enig Maleis of Indonesisch woordenboek zijn te vinden. Bijvoorbeeld het laatste woord in het prachtige motto van de bundel Njanji Soenji (Eenzame liedjes):

Soenji itoe doeka eenzaamheid is verdriet Soenji itoe koedoes eenzaamheid is heilig Soenji itoe loepa eenzaamheid is vergetelheid Soenji itoe lampoes eenzaamheid is sterven Dat laatste woord, lampoes, komt blijkbaar uit het klassiek Javaans en is in die taal een edele term met de betekenis van 'dood, uitgestorven'. Het herinnert aan het Maleise woord 'mampoes', een nogal ruwe uitdrukking die iets als 'creperen' betekent, maar als je dat Javaanse woord niet kent en niet kunt vinden speelt het verband uiteraard ook geen rol. Dit mag verduidelijken hoe het vooral de vertalingen zijn (20 gedichten en fragmenten), opgenomen in Teeuws Modern Indonesian Literature, die geholpen hebben de gedichten van Amir Hamzah voor mij toegankelijk te maken. Helaas zijn dat vertalingen in het Engels, en er is nu met Prof. Teeuw een plan gerezen om gezamenlijk een Nederlandse vertaling te maken van de ongeveer tachtig gedichten die van Amir Hamzah bekend zijn.

De mooiste daarvan moeten zijn ontstaan in de periode dat hij terug was in Batavia voor zijn rechtenstudie. Die studie heeft hij af moeten breken na zijn kandidaats, en daarmee begint de grote tragedie van Amir Hamzah's leven. Hij werd namelijk teruggeroepen naar Langkat om daar in het huwelijk te treden met de dochter van de Sultan en zijn plaats in te nemen in de hiërarchie van het Sultanaat, terwijl er in Batavia kennelijk een liefdesrelatie met een Javaans meisje was opgebloeid.

Kat-en-muisspel

Uit zijn gedichten is duidelijk dat het dilemma hartverscheurend voor hem was ('nat hout verteerd door vuur') en dat hij achteraf ernstig betreurd heeft dat hij zijn hart niet heeft gevolgd. Het moet voor hem niet alleen een familiaal, maar vooral ook een religieus drama zijn geweest; twijfelen aan de zinvolheid van zijn plicht was equivalent aan twijfelen aan het bestaan van God, en twijfel daaraan was voor hem twijfel aan alles; maar hij schrok er niet voor terug. De gedachte van een afgunstige God die de mensen hun aards geluk afneemt, een God voor wie wij niet meer zijn dan speelgoed ('PermainanMu'), die maar een beetje een kat-en-muisspel met de mensen speelt, komt als een rechtstreekse beschuldiging in zijn gedichten voor: 'Je [tot God, die hij tutoyeert] bent jaloers/ Je bent kwaadaardig/ Ik ben een prooi in Je klauwen/ Dan weer vangen en dan weer loslaten..' ('PadaMoe djoea', Tot Jou alleen). Dat zijn huiveringwekkende regels, misschien ook doordat ik me de felle klank van sommige van die woorden uit mijn kinderjaren herinner, zoals 'ganas' - wreed, boosaardig, of 'tjakar' - klauwen, zoals van een roofdier.

Het hierbij in zijn geheel afgedrukte gedicht, 'Sebab dikau' (Om jou), gaat kennelijk over hetzelfde onderwerp. Het is tegelijk een fraai voorbeeld van een gedicht dat op een ouderwetse manier met geijkte formules begint, totdat opeens het tragische doorbreekt, maar met behoud van een soort elegantie die het gedicht in mijn gevoel zo aangrijpend maakt. Het is een van de gedichten die aan Nijhoff doen denken - want dat is de Nederlandse dichter waar Amir Hamzah mij het meest aan herinnert.

Kende Amir Hamzah de gedichten van Nijhoff? De bundel Vormen, waar de gedichten in staan die het dichtst bij die van Amir Hamzah in de buurt lijken te komen, is van 1924. Ook Nieuwe gedichten, verschenen in 1934, kan Amir Hamzah onder ogen hebben gehad; hij was in Batavia tot '38 of '39.

Daarna ging hij terug naar Langkat, trouwde de voor hem bestemde prinses en kreeg kinderen. Van na dat tijdstip - hij was toen 27 - is geen werk van hem bekend: de gedichten in die twee onvergetelijke bundels, Boeah rindoe en Njanji soenji zijn allemaal van vóór die tijd. En minder dan tien jaar later was hij dood; kort na de Japanse capitulatie werd hij door Pemuda's vermoord.

Het heeft mij achteraf doen begrijpen hoe gevaarlijk het geweest moet zijn in en rond Medan, waar wij na de bevrijding waren ondergebracht. Het feit dat zelfs iemand als Amir Hamzah gedood werd, geeft een idee van de moordlust die de jonge revolutionairen bezielde, want Amir was een vurig nationalist en dat geldt ongetwijfeld ook voor de meeste andere leden van de Maleise aristocratie die in die tijd zijn afgeslacht.

Niemand weet precies hoe het gebeurd is, zelfs de datum staat niet vast. H.B. Jassin beschrijft hoe Amir op de avond van 3 Maart 1946 door Pemuda's werd meegenomen, tesamen met familieleden van de Sultan en enkele andere vooraanstaande personen. Het schijnt dat Amir daarna op 19 Maart werd gedood, vermoedelijk onthoofd, op Koeala Bingai, tien kilometer van Bindjei.

Het zijn die plaatsnamen die het voor mij zo aangrijpend maken, omdat ik ze als kind zo vaak heb horen noemen en waar ik in veel gevallen ook visuele herinneringen aan heb. De meeste andere bronnen spreken van 16 Maart, en een hoogst zonderling boek dat Prof. Teeuw mij leende, een in eigen beheer uitgegeven gestencilde levensgeschiedenis van Amir Hamzah op rijm, door een familielid genaamd T(engkoe).M. Lah Husny, geeft 20 Maart. Volgens dit verslag heette de moordenaar Jang, 'alias Wirjosentono, alias Jang Widjaja', voormalig mandoer op de onderneming Wong Londo, waarbij ook weer de plantage Koeala Bingai wordt genoemd. Hij werd tot 20 jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar kwam al in 1950 weer vrij. Op zijn aanwijzingen werd een massagraf gevonden, dat in 1949 werd geopend, waarna het gebeente van Amir Hamzah werd bijgezet in een familiegraf op Tandjoeng Poera. De hierbij afgedrukte onduidelijke foto, afkomstig uit dit boekje, ontdekte ik met grote emotie, want ik had altijd begrepen dat het lichaam van Amir Hamzah nooit terug was gevonden. Als ik dat had geweten zou ik in 1994 bij mijn laatste bezoek aan Sumatra alles in het werk hebben gesteld om naar Tandjoeng Poera te gaan en het graf te bezoeken, en ook de hierbij afgebeelde ruïnes van de gebouwen waar Amir woonde en werkte.

Niet dat ik vroeger als kind in Indië ooit van Amir Hamzah gehoord had. Pas in het kamp heb ik geloof ik zijn naam wel eens horen noemen. Maar pas veel later ben ik mij gaan verdiepen in de poëzie van de grote dichter bij wie ik zonder het te weten zo dicht in de buurt ben opgegroeid. Ik weet wel dat het onzinnig is, maar wat mij daarbij overvalt is een groot gevoel van spijt, van iets onherstelbaars - een gevoel dat door Amir Hamzah zelf zo prachtig onder woorden is gebracht in de eerste regels van het hierbij in facsimilé afgebeelde gedicht 'Soenji' uit Boeah rindoe:

Ik klop op de deur van mijn jeugd, Ik wil het gevoel daarvan weer binnengaan; Maar de tuin is op slot, de toegang versperd, Ik blijf alleen en verlaten achter. Amir Hamzah werd maar 35 jaar oud, net als Mozart. Hij zou nog kunnen leven, dan was hij nu 85.

Sebab dikau (Om jou)

Om jou heb ik het leven lief, De bloemknoppen wiegend op hun vleugels, Het bloeien van de liefde in mijn hart, Het geuren van de bloem in mijn gemoed.

Als een droom is het leven - Zoals de schaduwen tot leven komen op het doek, Zo ben ik dromer en danser tegelijk, Beurtelings bewust en onbewust.

Zo krijgen vorm op het vlakke doek Kleurige schimmen die het gemoed doen vollopen, En gehoorzaam volgt het verlangende hart: Twee zielen worden innig verstrengeld.

Jij en ik zijn maar marionetten, Wij behagen de poppenvertoner terwijl hij zijn tekst neuriet - Smachtend en blikken uitwisselend op het doek Zolang de muziek klinkt, de duur van een lied.

Dan vervangt hij de glanzende poppen weer door andere, Jij en ik gaan terug in de doos, Ik een marionet, jij een marionet, Speelgoed van de vertoner, begeleiding van zijn lied.

AMIR HAMZAH