Sympathie voor Mussolini

Toen ik een jongen van een jaar of veertien was, kwam er vaak een Duitse neef bij ons eten. Hij vertelde ons dan de laatste grappen die in Duitsland over Hitler gemaakt werden. Deze bijvoorbeeld: enkele maanden na de machtsovername ging Hitler, voor het eerst, bij Mussolini op bezoek. Bij aankomst groette hij de duce aldus: “Ave imperator.” Waarop Mussolini antwoordde met: “Ave imitator.”

Welk een onderschatting van Hitler lag in die grap verborgen! Zeker, het nationaal-socialisme heeft veel van het fascisme, dat ruim tien jaar eerder aan de macht kwam, afgekeken (de zogenaamde Duitse groet o.a.) en ook Mussolini's dubbelstrategie van democratische legaliteit en straatterreur overgenomen.

Ook was in 1933 Mussolini nog de man naar wiens gunsten Hitler moest dingen, en niet omgekeerd. Italië was nog geruime tijd een tegenstander van nazi-Duitsland. Zo dreigde het Oostenrijk te hulp te zullen komen als Hitler dat zou proberen in te palmen - wat in 1934 bijna gebeurde, toen Oostenrijkse nazi's een putsch ondernamen, waarbij bondskanselier Dollfuss om het leven kwam.

Maar daarna draaiden de rollen allengs om. Italië zocht steun bij Duitsland toen het in conflict kwam met de halve wereld na zijn agressie tegen Ethiopië. En zo kwam langzamerhand de as Rome-Berlijn tot stand, waarin het steeds meer de tweede viool ging spelen, totdat Mussolini tegen het eind van de oorlog helemaal een uitgedoofde en willoze satelliet was geworden.

Maar nu spreken we over de jaren dat Mussolini nog hoog te paard zat en bij velen in Europa een aanzienlijk prestige genoot. In Historische Zeitschrift (262) schrijft Wolfgang Schieder over de reputatie die hij in het Duitsland van vóór Hitler (dus vóór 1933) had - niet alleen bij nationaal-socialisten. Ik volg hier de uitvoerige samenvatting die de Frankfurter Allgemeine van 13 maart van dit artikel geeft.)

Dat hij in conservatieve en rooms-katholieke kringen op sympathie kon rekenen, komt niet als een verrassing. Dat was elders ook zo. Churchill, bijvoorbeeld, was toen onder de indruk van hem. Opmerkelijker is dat die sympathie zich uitstrekte tot in liberale, onvervalst democratische kringen - joodse niet uitgesloten.

Zo was Theodor Wolff, hoofdredacteur van het Berliner Tageblatt en een van de meest prestigieuze journalisten, geestdriftig over Mussolini na enkele gesprekken met hem. Hij schetste hem als een charismatisch heerser met intellectuele trekken. Inderdaad koketteerde Mussolini met zijn belezenheid. “Ik ben hegeliaan”, zei hij in een gesprek met de schrijver Rudolf Borchardt, eveneens jood.

Maar Mussolini's grootste propagandist bij een niet-fascistisch publiek was Emil Ludwig, wiens boeken over Goethe, Rembrandt, Bismarck, Napoleon, Wilhelm II miljoenenoplagen haalden. Zo ook zijn Gespräche mit Mussolini uit 1931, waaruit de Italiaanse dictator eveneens als een diepe denker oprijst.

Zelfs Freud liet zich er, in 1933, toe verleiden zijn geschrift Warum Krieg? aan Mussolini op te dragen: “Von einem alten Mann, der im Diktator den Kulturheros erkennt.” En vóór al dezen had de dichter Rilke al over Mussolini geschreven als “die architect van de Italiaanse wil, die smid van een nieuw bewustzijn”.

Bijna zeker was die bewondering althans gedeeltelijk zelfbedrog: men wilde in Mussolini het tegendeel van Hitler zien: de intellectueel tegenover de man uit de zelfkant van de samenleving. Bovendien pleitte het voor de Italiaan dat hij toen nog geen antisemiet was. (Dat zou hij pas in 1938 worden, op Hitlers aandringen.)

Hoe dit ook zij - Schieder komt tot de conclusie dat de hoogachting die Mussolini genoot in kringen die kritisch, zo niet vijandig, stonden tegenover Hitler en zijn partij, ertoe heeft bijgedragen het terrein voor de nationaal-socialistische machtsovername voor te bereiden. De kritische zin voor de gewelddadige kant van het fascisme was afgestompt.

Ook in Nederland stond de democratie in die tijd onder kritiek - zeker tijdens de grote economische crisis - en waren velen bereid in Mussolini iets goeds te zien - zeker voor dat anarchistische Italië. A.A. de Jonge onderscheidt in zijn boek over antidemocratische stromingen in het interbellum, Crisis en critiek der democratie (1968), vier stromingen: 1. de uiterste rechtervleugel van de liberalen; 2. de volgelingen van de hegeliaanse filosoof Bolland; 3. de katholieke jongeren, intellectuelen en vooral kunstenaars; 4. rebelse kunstenaars en intellectuelen die hun voornaamste vertegenwoordiger vonden in de bohémien Erich Wichman.

Dat was allemaal voordat Hitler aan de macht kwam. (Wichman overleed in 1929, en Bolland was al in 1922 gestorven.) Mussolini was hun voorbeeld. Ook het voorbeeld van de vele fascistische partijtjes die in die tijd opkwamen en waarvan de partij van Jan Baars de grootste was (maar ook hij slaagde er niet in in de Kamer te komen).

Ook Musserts NSB, Nederlands succesrijkste fascistische partij, die in 1931 opgericht werd, modelleerde zich aanvankelijk naar het Italiaanse fascisme, waaraan het ook het zwarte hemd ontleende. Pas omstreeks 1936, na de toetreding van Rost van Tonningen, ging zij zich op Duitsland richten en werd zij ook antisemitisch.

Maar die tijd valt buiten onze beschouwing, want toen was Mussolini's macht en invloed al aan het tanen. De vraag is of er vóór die tijd in Nederland sprake was van een soortgelijke bewondering voor Mussolini in zogenaamd nette kringen als in het Duitsland vóór 1933 (en ook nog na dat jaar, bij conservatieven en liberalen die tegen Hitler waren).

Het antwoord is: zeker wel. De Jonge heeft al enkele van die kringen genoemd. Er zijn natuurlijk ook verschillen. Zo was er bij ons geen dreigende Hitler, voor wie de 'intellectuele' Mussolini als aanvaardbaar alternatief diende. Trouwens, Nederland had in de jaren '20 geenszins dezelfde dramatische tijd van verloren oorlog, armoede en inflatie meegemaakt als Duitsland. Alles was bij ons gezapiger, ook de bewondering voor de verre Mussolini, die de treinen op tijd had laten lopen.

Per slot van rekening was ook Mussert van huis uit een nette man, ingenieur, ex-liberaal, kort tevoren gerespecteerd secretaris van het actiecomité tegen het Moerdijkkanaal. Heel anders dus dan de radicale volksmenner Hitler; heel anders ook dan zijn voorgangers in Nederland, die eerder anarchofascisten waren. Het was juist zijn burgerlijkheid die het geheim van zijn (betrekkelijk) succes was: 7,9 procent in 1935 (daarna alleen maar minder). Heel anders dan in Duitsland dus.

Niettemin zou het interessant zijn ook bij ons eens de burgerlijke kranten en tijdschriften tussen 1922 en 1933 (jaren van resp. Mussolini's en Hitlers machtsovername) door te werken op hun eventuele sympathie voor de Italiaanse dictator en zijn fascisme.