Rembrandt-project herziet weer mening over schilderij

AMSTERDAM, 15 MAART. Het Rembrandt Research Project (RRP) heeft een schilderij dat tot dusverre niet aan Rembrandt werd toegeschreven, nu wèl als zodanig geaccepteerd. Het gaat om een zelfportret, gedateerd 1642, uit de collectie van de Britse vorstin. De afschrijving was destijds gedaan op basis van ernstige overschilderingen, waardoor het zelfportret niet meer tussen de eigenhandige Rembrandt-doeken thuishoorde.

Bij de opening van de tentoonstelling over de 17de-eeuwse graficus Jan van Vliet in het Rembrandthuis, Amsterdam, werd vorige maand ook een nieuwe toeschrijving bekend gemaakt. Bij die gelegenheid werd gesteld dat een Oude man, eerder door het RRP in de C-categorie (niet authentiek) geplaatst, wel degelijk van Rembrandt zelf kan zijn.

Al eerder werd bekend dat het RRP zijn koers ten aanzien van het onderzoek gaat verleggen. In het maart-nummer van The Burlington Magazine dat deze week is verschenen formuleert het RRP enkele nieuwe doelstellingen. Het collectief dat sinds 1968 stelselmatig onderzoek verricht naar het oeuvre van Rembrandt, is afgestapt van de categorieën A, B en C die werden gebruikt om opinies over de mate van authenticiteit van de schilderijen aan te duiden. De kunsthistorici Ernst van de Wetering en Paul Broekhoff schrijven dat het aan kennerschap toegekende belang zal worden teruggedrongen en dat de manier waarop het oeuvre in de resterende drie delen van A Corpus of Rembrandt Paintings wordt behandeld, zal worden gewijzigd.

Ernst van de Wetering, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, die sinds 1992 leiding geeft aan het RRP, stelt al geruime tijd dat er in veel gevallen geen definitief oordeel van het RRP te verwachten valt. “Ik hoop dat het publiek wat meer los komt van de vraag of zo'n schilderij nou wel of niet van Rembrandt is. Mensen zijn volkomen gefixeerd op die ene kwestie. We willen ze ervan doordringen dat je dat vaak niet kúnt weten en dat er veel schakeringen in de aannemelijkheid van een toeschrijving bestaan,” aldus Van de Wetering woensdag.

Publicatie van zoveel mogelijk objectieve criteria en argumenten acht Van de Wetering belangrijker dan de uiteindelijke conclusie over authenticiteit: “Ik heb in de loop der jaren zoveel kenners een achteraf onhoudbaar oordeel horen uitspreken, dat ik de autoriteit van mijn eigen oog en dat van anderen niet meer durf te aanvaarden. In The Burlington Magazine maken we duidelijk dat het kennerschap op de laatste plaats is komen te staan. Alle andere argumenten krijgen voorrang in onze afwegingen. In eerste instantie blijven we neutraal in ons oordeel. Aan het einde van de rit màg je wel eens zeggen: het is een Rembrandt.”

Dat die conclusie bij het zelfportret uit 1642 slecht terloops wordt vermeld, is kenmerkend voor de nieuwe aanpak. “Als we al een oordeel geven, wordt dat in ieder geval niet meer met A, B of C uitgedrukt,” aldus Van de Wetering. Bij die indeling gold een schilderij in de A-categorie als authentiek, C betekende dat het werk níet door Rembrandt geschilderd was en B bleef over voor twijfelgevallen.

Van de Wetering vond het frustrerend dat bij de verschijning van het Corpus vooral gekeken werd hoeveel schilderijen er in de respectievelijke categorieën waren ondergebracht. “Je hoefde alleen de inhoudsopgave van de catalogus nog maar te turven. Door die categorieën weg te laten moet iedereen zelf lezen wat onze argumenten pro en contra zijn. Het gewicht van een argument kan immers voor iedereen anders zijn.”

Onderzoeksresultaten hebben het project gaandeweg in nieuwe richtingen gestuurd. “Toen we begonnen, werd verondersteld dat Rembrandts werk zich niet leende voor samenwerking met leerlingen of assistenten. Nu is bijna iedereen het erover eens dat het gezicht van Uyttenboogaert, enkele jaren geleden verworven door het Rijksmuseum, door Rembrandt geschilderd is en de handen door iemand anders.”

Veronderstelde het RRP in 1968 nog dat met behulp van de natuurwetenschappen echt van onecht onderscheiden zou kunnen worden, uitgerekend de dendrochronologie (waarbij aan de hand van jaarringen de ouderdom van een paneel wordt vastgesteld) heeft die gedachte ondermijnd. Van de Wetering: “Toen duidelijk werd dat de meeste schilderijen wel degelijk uit het atelier van Rembrandt afkomstig zijn, werden we teruggeworpen op het kennerschap.”

Dendrochronologisch onderzoek leidde onlangs tot een derde, nieuwe toeschrijving. Een paneel bleek afkomstig uit dezelfde boom als het paneel waarop een authentieke Rembrandt is geschilderd. “We hebben een complex van argumenten opgebouwd waarbij we er niet onderuit kwamen dat ook dat andere paneel door Rembrandt geschilderd moest zijn.” Van de Wetering wil de titel van het betreffende schilderij (nog) niet prijsgeven.

Dat de Oude man weer aan Rembrandt wordt toegeschreven hangt onder meer samen met onderzoek naar de watermerken in het papier dat de graficus Jan van Vliet gebruikte. Dat onderzoek vormt de sluitsteen van de argumentatie die tot het inzicht leidde dat Van Vliet zeer nauw met Rembrandt moet hebben samengewerkt.

Van de Wetering: “Dat Van Vliet op de reproduktieprent naar datzelfde schilderij Rembrandt heeft vermeld als 'inventor', is een belangrijke aanwijzing ten gunste van de eigenhandigheid.”

In het 'Corpus' zullen schilderijen niet langer strikt chronologisch worden behandeld. Volgens Van de Wetering werd die aanpak te zeer ingegeven door vooropgezette ideeën over de manier waarop de stijl van Rembrandt zich zou hebben ontwikkeld. “Stijl werd gezien als de authentieke uiting van de individualiteit van de kunstenaar. Dat is een 20ste-eeuwse voorstelling van zaken. In 17de-eeuwse teksten wordt stijl niet gezien als een onbewuste manifestie van het individu, maar als iets dat je kon kiezen. De ethische ondertoon in ons begrip van stijl, bestond in die tijd niet. Stijlveranderingen kunnen heel goed door eigen keuze zijn ingegeven. Als je dat beseft, ben je één van de instrumenten kwijt om zo'n oeuvre te reconstrueren.”

De resterende delen van het Corpus zullen thematisch worden ingedeeld: zelfportretten en kleinfigurige historiestukken in deel 4, grootfigurige historiestukken en portretten in deel 5 en 'tronies' in deel 6.

Na de voltooiïng van deel 3 en bij het naderen van de pensioengerechtigde leeftijd nam RRP-leden Bruyn, Levie, Van Thiel en Haak in 1992 afscheid, waarna Van de Wetering het Project met jongere medewerkers en externe experts voortzette. Met een brief in The Burlington Magazine maakte de oude garde nog wel duidelijk dat niet alle koerswijzigingen op hun instemming konden rekenen.

Van de Wetering: “Toen het Project begon, conformeerde je je vanzelfsprekend aan de indeling in A of C. Je voelde het als een tekortkoming een schilderij in de B-categorie onder te brengen. Maar in feite weet je het bijna nooit zeker.”

Van de Wetering heeft altijd sceptisch gestaan tegenover het idee dat er consensus over toeschrijvingen zou kunnen ontstaan en liet ('uit overtuiging èn als demonstratie') wel eens minderheidsstandpunten in het Corpus opnemen. “Het zijn schilderijen waar de rest niet in geloofde en ik wel, maar ook omgekeerd. Aangezien het boek heel slecht gelezen werd, heeft niemand dat zien staan.”

Dat het RRP wel eens op eerdere bevindingen terugkomt is volgens Van de Wetering inherent aan het bedrijven van wetenschap. “Mensen die het RRP kritiseren maken er vreemd genoeg geen bezwaar tegen als er miljarden guldens worden uitgegeven aan deeltjesversnellers. Onlangs werd bekendgemaakt dat ze daar wellicht met een nieuw onderzoeksmodel moeten gaan werken. Niemand zal zeggen dat het voorafgaande onderzoek daarom niet zinvol was.”

De vraag naar authenticiteit zal een belangrijke rol blijven spelen in het onderzoek, aangezien Van de Wetering het tot zijn taak blijft rekenen de 'zuivere kern' van Rembrandts oeuvre aan te wijzen. “Door de werking van het marktmechanisme is dat oeuvre enorm vervuild met aangroeisels. Maar bij Rembrandt zijn weinig schilderijen zo gedocumenteerd dat je zeker van de authenticiteit kunt zijn; té weinig om op basis daarvan een beeld van het oeuvre te bouwen.

“De vraag naar authenticiteit is de motor van het onderzoek; een manier om door te dringen in het materiaal. Het gaat om de spin off van het project. We hebben ontzettend veel nieuwe gegevens aan het licht gebracht over schildertechniek en artistieke ideeën. We weten veel meer over de ateliers, krijgen beter inzicht in de lespraktijk en in de ontwikkeling van de navolging van de meester. Die kennis reikt veel verder dan alleen Rembrandt.”

Van de Wetering kijkt reikhalzend uit naar de Jan Steen-tentoonstelling die vanaf september in het Rijksmuseum gehouden wordt. “In het zogenaamde oeuvre van Steen bestaan enorme kwaliteitsverschillen. Een goede Steen is een delicatesse, maar er is ook veel troep. Ik weet zeker dat er, net als bij Rembrandt, rond Steen een krans van figuren heeft bestaan die in de stijl van de meester hebben gewerkt. Wat mij betreft komt er ook een Jan Steen Research Project.”